Ga verder naar de inhoud

KC05/24-0345

Ongegrond KC - Brugge Klachtencommissie Tucht
TUCHT - VERMOEDEN VAN ONSCHULD - BEWIJS - HUISHOUDELIJK REGLEMENT

De klachtencommissie stelt in het algemeen vast dat in het tuchtdossier drie RAD’s voorhanden zijn (twee van 29 september 2024 en één van 1 oktober 2024). In één van de RAD’s wordt beschreven hoe klager zijn alarm indrukte op 29 september 2024 omstreeks 10u15. In de bestreden tuchtbeslissing werd één tuchtinbreuk van eerste categorie aangekruist, zijnde de opzettelijke aantasting van de orde. Er werden ook drie tuchtinbreuken van tweede categorie aangekruist, zijnde ten eerste het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden, ten tweede het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen en ten derde het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel. Klager kreeg als sanctie twee weken ATV. De klachtencommissie acht de tuchtbeslissing niet onwettig, onredelijk of onbillijk.

Wat betreft de door klager opgeworpen twaalf argumenten met betrekking tot de RAD’s van 29 september 2024:
wijst de klachtencommissie erop dat:
(1) de mededeling inzake de tuchtprocedure de in artikel 144, § 3, eerste lid Basiswet vermelde vereisten bevat. In dezemededeling wordt wel degelijk vermeld dat klager bijstand wenste van zijn advocaat;
(2) de directie de haar toekomende discretionaire bevoegdheid niet heeft overschreden door klager schuldig te achten aan de feiten uit deze RAD’s;
(3) klagers rechten van verdediging niet geschonden werden. Klager heeft naar aanleiding van een tuchtzitting steeds het recht om zijn tuchtdossier in te zien. Hij
blijkt ook voorafgaand telefonisch overleg met zijn advocaat te hebben gehad, die op zijn beurt met de op de zitting aanwezige advocate had overlegd (zoals blijkt uit het verslag van de zitting). De advocaat was in principe in het bezit van deze stukken. De klachtencommissie merkt op dat op de tuchtzitting niet werd aangevoerd dat de advocaat bepaalde stukken niet zou ontvangen hebben;
(4) dit argument niet dienstig is voor de beoordeling van de tuchtbeslissing;
(5) dit argument niet dienstig is voor de beoordeling van de tuchtbeslissing;
(6) dit argument niet dienstig is voor de beoordeling van de tuchtbeslissing;
(8) dit zaken betreft die na het nemen van de tuchtbeslissing zijn gebeurd en zodoende niets van doen hebben met de wettigheid, redelijkheid of billijkheid van de
bestreden tuchtbeslissing;
(9) dit argument niet dienstig is voor de beoordeling van de tuchtbeslissing;
(11) de klacht niet gegrond is en er zodoende geen tegemoetkoming wordt toegekend en
(12) dit argument niet dienstig is voor de beoordeling van de tuchtbeslissing.

In zijn tiende argument stelt klager dat een RAD niet aan hem ter beschikking werd gesteld. De klachtencommissie is er niet van overtuigd dat de beslissing op dit vlak onwettig, onredelijk of onbillijk is. In zijn zevende argument stelt klager ten slotte dat de directie bij de tuchtbeslissing de registratie van het alarm en enkele vage foto’s voegt, maar hij deze op voorhand en tijdens de tuchtzitting niet heeft gezien. Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt echter duidelijk dat deze foto’s louter ter
illustratie dienden. De directie achtte de schuld van klager aan de daarmee samenhangende tuchtinbreuk in ieder geval – en ook los van deze foto’s – bewezen. Ook dit aspect brengt dus niet de onwettigheid, onredelijkheid of onbillijkheid van de bestreden beslissing met zich mee.

Wat betreft de door klager opgeworpen elf argumenten met betrekking tot het RAD van 1 oktober 2024, wijst de klachtencommissie erop dat:
(1) de mededeling inzake de tuchtprocedure de in artikel 144, § 3, eerste lid Basiswet vermelde vereisten bevat. In deze mededeling wordt ook vermeld dat klager bijstand wenste van zijn advocaat. Dit document hoeft bovendien niet door de directeur zelf te worden ondertekend. Uit het document blijkt voldoende dat het wel degelijk in opdracht van de directeur werd opgesteld en aan klager afgegeven;
(2) de door klager vermelde directeur niet de directeur is die de tuchtzitting heeft voorgezeten. Er is geen sprake van een gebrek aan objectiviteit;
(3) uit het verslag van de tuchtzitting niet blijkt dat er op de zitting iets anders de drie RAD’s werd besproken;
(4) dit argument niet dienstig is voor de beoordeling van de tuchtbeslissing;
(5) dit argument niets van doen heeft met de wettigheid, redelijkheid of billijkheid van de bestreden tuchtbeslissing van 4 oktober 2024;
(6) klager voorafgaand telefonisch overleg met zijn advocaat blijkt te hebben gehad, die op zijn beurt met de op de zitting aanwezige advocate had overlegd (zoals blijkt uit het verslag van de tuchtzitting). De advocaat was in principe in het bezit van deze stukken. De klachtencommissie merkt op dat op de tuchtzitting niet werd aangevoerd dat de advocaat bepaalde stukken niet zou ontvangen hebben;
(7) dit argument niet dienstig is voor de beoordeling van de tuchtbeslissing;
(8) de advocaat in principe in het bezit was van deze stukken. De klachtencommissie merkt op dat op de tuchtzitting niet werd aangevoerd dat de advocaat bepaalde stukken niet zou ontvangen hebben. Verder verwijst de klachtencommissie naar wat zij heeft beslist hierboven;
(9) dit argument niet dienstig is voor de beoordeling van de tuchtbeslissing;
(10) de klacht niet gegrond is en daarom geen tegemoetkoming wordt toegekend en
(11) dit argument niet dienstig is voor de beoordeling van de tuchtbeslissing.
De klacht is niet gegrond.