Ga verder naar de inhoud

KC05/24-0391

Gegrond KC - Brugge Klachtencommissie Bijzondere veiligheidsmaatregel Ordemaatregel
BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - HOORPLICHT - ORDEMAATREGEL

Wat betreft de eerste klacht omtrent de BVM:
De klachtencommissie stelt vast dat klager, aan het begin van het hoormoment, ervan werd ingelicht welke bijzondere veiligheidsmaatregelen door de directie werden opgelegd. Het komt aan de directie toe om, indien zij meent dat dit noodzakelijk is voor het handhaven van de orde en veiligheid, onmiddellijk de daartoe noodzakelijke maatregelen te nemen (bv. het opleggen van een BVM), maar met inachtneming van de in de Basiswet voorziene waarborgen. De eerste klacht is gegrond.

Wat betreft de tweede klacht omtrent de ordemaatregel met bijkomende regime-inperkingen:
De directie heeft op 12 november 2024 – datum waarop tevens een beslissing tot bijzondere veiligheidsmaatregelen werd genomen – ten aanzien van klager ook een ordemaatregel genomen, met drie bijkomende regime-inperkingen. De ordemaatregel werd op quasi-identieke wijze gemotiveerd als de beslissing tot het opleggen van bijzondere veiligheidsmaatregelen. Deze maatregelen golden onmiddellijk en zouden maandelijks worden geëvalueerd.

Via deze combinatie van maatregelen (de regime-inperkingen in het kader van de BVM aan de ene kant en de drie bijkomende regime-inperkingen door de ordemaatregel aan de andere kant) wordt klager aan een regime onderworpen dat in de praktijk identiek is als ware hij geplaatst in een individueel bijzonder veiligheidsregime. Klager heeft hierbij echter niet de wettelijke waarborgen genoten die gepaard gaan met een procedure tot plaatsing in een individueel
bijzondere veiligheidsregime, zoals bijvoorbeeld de bijstand van een advocaat. Zoals hierboven blijkt, meent deze klachtencommissie dat het opleggen van de bestreden ordemaatregel ten aanzien van klager naast en bovenop de BVM niet wettig is. De tweede klacht is om deze redenen gegrond.