Ga verder naar de inhoud

KC05/25-0021

Gegrond KC - Brugge Klachtencommissie Voorlopige maatregel
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT

De klacht is gericht tegen een voorlopige maatregel en een tuchtbeslissing.

- Wat betreft de voorlopige maatregel

Klager moest in afwachting van de mededeling van de tuchtbeslissing, verplicht verblijven op de hem toegewezen verblijfsruimte, naar aanleiding van een rapport aan de directeur (RAD). Het RAD beschrijft de situatie dat klager de bevelen van het personeel, n.a.v. kledij die hij moest aantrekken om naar het ziekenhuis te vertrekken, negeerde en het personeel daarna bedreigde.

De Basiswet kent de bevoegdheid voor het opleggen van een voorlopige maatregel enkel toe aan de directeur. Het is echter ook geen verplichting dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel wordt ondertekend door een directielid. In het geval dat het directielid dat de beslissing heeft genomen, niet kan ondertekenen, is in Collectieve Brief nr. 124 bepaald dat het personeelslid dat contact heeft gehad met de directeur in zijn naam de bijlage invuld en in zijn naam tekent, met toevoeging van de vermelding "voor de directeur (naam van de directeur), afwezig tijdens de handtekening" en de vermelding van zijn identiteit en hoedanigheid. De klachtencommissie stelt vast dat de voorlopige maatregel niet werd ondertekend door een directielid en dat de bestreden beslissing niet conform Collectieve brief nr. 124 werd ondertekend. Bovendien blijkt noch uit het RAD, noch uit de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel de voorafgaandelijke tussenkomst van het directielid. Nergens wordt melding gemaakt dat de directie werd gecontacteerd.

De klachtencommissie besluit dat de klacht gericht is tegen het verzuim van de directie om een beslissing te nemen hoewel op de directie de verplichting rustte tot het nemen van een beslissing op grond van artikel 145 van de Basiswet. De voorlopige maatregel werd opgelegd in strijd met artikel 145 van de Basiswet. Om deze reden is de klacht ontvankelijk en gegrond.

De klachtencommissie vernietigt de voorlopige maatregel en kent aan klager de volgende tegemoetkoming toe: 2 extra videobezoeken, uit te voeren binnen één maand na de betekening van deze beslissing.

- Wat betreft de tuchtbeslissing

Klager werd op basis van bovenvermeld RAD tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor volgende tuchtinbreuken:

- de opzettelijke aantasting psychische integriteit van personen of bedreiging hiermee;
- het geen gevolg geven aan aanmaningen en bevelen van het personeel.

Hij kreeg hiervoor een sanctie van 1 week ATV opgelegd.

Klager schrijft dat hij het RAD niet gekregen heeft. De klachtencommissie acht dit niet aannemelijk, aangezien op de ‘mededeling inzake de tuchtprocedure’ wordt aangegeven dat dit aan klager overhandigd werd. Het document van de mededeling werd aan klager overhandigd, maar hij weigerde te ondertekenen voor ontvangst. Hij gaf wel aan door welke advocaat hij wilde worden bijgestaan tijdens de hoorzitting. Daarnaast werd het RAD overlopen bij aanvang van de tuchtzitting.

Klager begrijpt niet waarom de tuchtzitting al de dag volgend op de mededeling moest plaatsvinden. Indien de gedetineerde het voorwerp uitmaakt van een voorlopige maatregel, wordt hij gehoord binnen 72 uur nadat deze in werking is getreden. De voorlopige maatregel ving aan op 23 januari om 08u00. Klager werd diezelfde dag uitgenodigd voor de tuchtrechtelijke hoorzitting daags nadien om 10u16. De klachtencommissie meent dat het noch onwettig, noch onredelijk is om de tuchtrechtelijke hoorzitting zo snel mogelijk te laten plaatsvinden, zeker gezien het feit dat klager onder voorlopige maatregel stond. Klager had volgens de klachtencommissie voldoende tijd om zich voor te bereiden op de tuchtrechtelijke hoorzitting. Zijn advocaat was ook aanwezig, ondanks de – volgens klager – korte termijn tussen de mededeling en de zitting. Uit het dossier blijkt ook niet dat klager of zijn advocaat om uitstel hebben gevraagd.

De klachtencommissie meent dat de directie beide inbreuken als bewezen kon beschouwen louter op basis van het RAD, dat in duidelijke taal werd opgesteld en werd ondertekend door twee getuigen. Bijkomend onderzoek, zoals het horen van getuigen en het bekijken van camerabeelden, was aldus niet vereist. Klager bracht geen overtuigende tegenaanwijzingen aan op de tuchtrechtelijke hoorzitting, noch in zijn schriftelijk verslag dat ook wordt aangestipt in de beslissing. De directie kon de inbreuken aan klager toerekenen.

De directie heeft haar beslissing correct gemotiveerd. Zij kon in haar beslissing ook verwijzen naar verschillende tuchtinbreuken en naar zijn tuchtrechtelijke antecedenten. Hoewel klagers tuchtrechtelijke antecedenten niet kunnen meespelen bij de beoordeling van zijn schuld aan de huidige tuchtinbreuk, kan de directie hier wel rekening mee houden bij het bepalen van de tuchtsanctie.

Klager werd gesanctioneerd met 1 week ATV. Aangezien een gedetineerde voor een tuchtinbreuk van de eerste categorie gesanctioneerd kan worden met maximaal 30 dagen ATV, is de opgelegde tuchtsanctie wettelijk. De klachtencommissie meent dat de sanctie bovendien niet onredelijk of onbillijk is.

Ten slotte schrijft klager niet te begrijpen waarom hij geen wandeling kreeg tijdens de tucht. Tijdens een ATV-sanctie wordt een gedetineerde uitgesloten van de gemeenschappelijke wandeling, maar de directeur moet er wel zorg voor dragen dat hij de mogelijkheid heeft om minstens één uur per dag in de buitenlucht te verblijven (individueel te wandelen). Volgens de directeur kreeg klager hiertoe dagelijks de kans. De klachtencommissie kan dus ook geen onwettigheid vaststellen op dit punt.

De klacht tegen de tuchtbeslissing is om deze redenen niet gegrond. De tuchtbeslissing blijft bestaan.