Ga verder naar de inhoud

KC05/25-0064

Gegrond KC - Brugge Klachtencommissie Andere beslissing directeur
SCHADE

De klacht gaat over de beslissing van de directie van de gevangenis van Brugge tot het laten betalen door klager van een schadevergoeding op basis van een voorgesteld akkoord tot betaling schadevergoeding.

Vooraleer aan een gedetineerde kan worden gevraagd of hij schade wenst te vergoeden, moet vaststaan dat hij deze schade kwaadwillig of door nalatigheid veroorzaakt heeft. Wat betreft de verantwoordelijkheid van klager voor de vastgestelde schade, wordt als schade in het akkoord tot betaling schadevergoeding het volgende vermeld: “Steel van aftrekker in TV-scherm”. Het bedrag van de schadevergoeding werd bepaald op € 303,00. Klager ondertekende het document en verklaarde zich achteraf akkoord met het afbetalingsplan.

Uit het RAD van 26 februari 2025 blijkt dat klager zelf tegen een beambte verklaard heeft dat hij zijn tv-scherm heeft stukgeslagen met de steel van een aftrekker door frustratie met de PSD.
Het rapport is volgens de klachtencommissie ondubbelzinnig en duidelijk opgesteld. Uit het verweer blijkt dat de directie de beambte hierover nogmaals bevraagd heeft en dat zij haar verhaal bevestigt. Dat de directie op basis van het RAD heeft aangenomen dat er sprake was van kwaadwilligheid en verwachtte dat klager de schade zou vergoeding, komt op de klachtencommissie niet onwettig, onredelijk of onbillijk over. De klacht is op dit punt ongegrond.

In Collectieve brief nr. 131 (p. 2 en 3) wordt ook vastgelegd hoe de schadevergoeding wordt berekend. Enkel de residuele waarde van het (onherstelbaar) beschadigde voorwerp moet vergoed worden. Deze wordt berekend aan de hand van de aankoopdatum en -waarde. Er wordt hierbij een vetusteitsrente toegepast. Hierbij geldt dat er per verstreken jaar sinds de aankoopdatum 10% vetusteit van de aankoopwaarde moet afgehouden worden. Deze mag maximaal 50% van de aankoopwaarde bedragen. In dit dossier blijkt dat het toestel als gevolg van de schade niet meer gebruikt kon worden. Het toestel werd in 2021 aangekocht voor een bedrag van €303,63. Aangezien er drie jaren verstreken zijn sinds de aankoop ervan, dient van dit bedrag (volgens de berekeningswijze in de Collectieve brief) 30% te worden afgetrokken. Dit komt neer op een totaal te vergoeden bedrag van €212,54.

De directie geeft in haar verweer toe dat ze een fout heeft begaan bij het vaststellen van het te vergoeden bedrag (oorspronkelijk €303,63). Zij zou dit hebben aangepast naar het correcte bedrag, wat inderdaad neerkomt op €212,54. Het afbetalingsplan zou in die zin ook zijn aangepast. De klacht is op dit punt dus gegrond.

De klacht is aldus gedeeltelijk gegrond. De klachtencommissie draagt de directie op om te voorzien in een aangepast afbetalingsplan, voor zover dit nog niet eerder is gebeurd.