Ga verder naar de inhoud

KC05/25-0129

Ongegrond KC - Brugge Klachtencommissie Ordemaatregel
ORDEMAATREGEL - REGIME - ONTSLAG

De klacht betreft de beslissingen van 24 april 2025 de directie van de gevangenis van Brugge waarbij klager via ordemaatregel intern werd gemuteerd naar een gesloten sectie (‘regimemutatie’) en werd afgezet van zijn werk als diender.

- Wat betreft de regimemutatie

De klachtencommissie stelt vast dat de bestreden ordemaatregel werd genomen op basis van bepaald gedrag dat klager heeft gesteld. Zo was klager betrapt bij een poging tot het binnensmokkelen van een voorwerp dat niet is toegelaten in de gevangenis, nl. een USB-stick. In de ordemaatregel wordt vermeld dat dit gedrag niet verenigbaar is met gedrag dat op een open sectie wordt verwacht.

De klachtencommissie is van oordeel dat de ordemaatregel niet met een bestraffend oogmerk werd genomen, maar louter was ingegeven vanuit de overweging dat het proberen binnensmokkelen van een verboden voorwerp niet verenigbaar is met een (verder) verblijf op een open afdeling. Deze beslissing staat los van de tuchtbeslissing met bestraffend karakter die de directeur nam naar aanleiding van deze feiten. Dat er geen sprake is van voorgaanden, doet volgens de klachtencommissie niets af aan de bevoegdheid van de directie om klager te muteren naar een gesloten sectie naar aanleiding van deze feiten.

De eerste klacht is niet gegrond.

- Wat betreft de afzetting van werk

De klachtencommissie meent dat de directie op basis van de begane tuchtinbreuk in redelijkheid kon beslissen dat klager niet meer geschikt was voor de vertrouwensfunctie die hij uitoefende, en hem daarom kon afzetten van zijn werk. Het ontslag van klager uit zijn functie is volgens de klachtencommissie geen verdoken tuchtsanctie, die gelet op de afwezigheid van een bestraffend karakter, niet het voorwerp diende uit te maken van of diende te worden opgenomen in de tuchtbeslissing. De ontslagbeslissing werd daarnaast schriftelijk genomen en correct gemotiveerd. Uit de beslissing volgt ten slotte ook dat klager pas na drie maanden opnieuw een werkaanvraag kan indienen voor een vertrouwensfunctie. Klager wordt dus niet uitgesloten van het indienen van een nieuwe werkaanvraag voor andere dan vertrouwensfuncties, wat in lijn ligt met wat bovengenoemde nota bepaalt.

De klachtencommissie besluit dat de ordemaatregel niet onwettig, onredelijk of onbillijk is.

De tweede klacht is niet gegrond.