KC05/25-0206
Gegrond
KC - Brugge
Klachtencommissie
Voorlopige maatregel
Tucht
Fouille op het lichaam
FOUILLE LICHAAM - VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - MOTIVERING
- De fouille op het lichaam
De bestreden beslissing tot fouillering op het lichaam wordt als volgt gemotiveerd: “verbale agressie”
De directeur vermeldt in haar motivering niet welke de individuele aanwijzingen zijn. De directie motiveert evenmin waarom een onderzoek aan de kledij niet had volstaan en waarom een fouillering op het lichaam noodzakelijk was.
Om deze reden is de beslissing tot fouillering onwettig. De klacht is dus gegrond.
- De voorlopige maatregel
De voorlopige maatregel werd gemotiveerd als volgt: “verbale agressie”.
De directie motiveert in haar beslissing op geen enkele manier waarom de situatie een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid inhield, en op welke manier de plaatsing op de beveiligde cel verantwoord was. Nochtans dient de directie in de beslissing zelf aan te geven waarom een voorlopige maatregel noodzakelijk was en om welke reden men voor een specifieke maatregel heeft gekozen, ook al zou dit voldoende blijken uit het RAD.
De directie heeft met andere woorden niet voldaan aan haar motiveringsplicht.
De klacht is gegrond.
- De tuchtbeslissing
Klager werd bij tuchtbeslissing gesanctioneerd met één week ATV voor de volgende inbreuken:
- ‘de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee’ ,
- ‘de opzettelijke aantasting van de orde’ , en
- ‘de niet-naleven van de door het huishoudelijk voorgeschreven bepalingen’.
De gedetineerde kan alleen schuldig worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan, schuldig acht. De directie dient haar innerlijke overtuiging ook op afdoende wijze ter kennis te brengen van de tuchtrechtelijk vervolgde gedetineerde.
Wat betreft ‘de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee’, merkt de klachtencommissie op dat de directie deze inbreuk niet herneemt in de motivering van haar beslissing. De directie verwijst op geen enkele manier naar de feiten en zet niet uiteenzet waarom zij deze aan klager toerekent. Bovendien is het uit de motivering niet op te maken waarom de directie bepaalde feiten kwalificeert als de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit of de bedreiging daarmee. Deze inbreuk vereist een bijzonder opzet in hoofde van klager, maar de directie heeft nagelaten om dit bijzonder opzet aan te tonen.
Ook met betrekking tot ‘de opzettelijke aantasting van de orde’, meent de klachtencommissie dat de motiveringsplicht onvoldoende werd nageleefd. Hoewel de directie naar deze inbreuk verwijst in haar beslissing, is het uit de motivering niet af te leiden welke feiten zij op deze manier kwalificeert en waarom. Opnieuw ontbreekt ook de motivering in verband met de toerekenbaarheid van de feiten aan klager.
De tuchtbeslissing is onvoldoende gemotiveerd wat betreft bovenvermelde tuchtinbreuken. De directie verwijst in haar beslissing niet of slechts op een abstracte wijze naar de feiten en kwalificaties die ze weerhoudt. Nochtans rust op de directie een motiveringsplicht , waaruit volgt dat ze moet uiteenzetten waarom ze ervan overtuigd is dat een gedetineerde de hem ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
Wat betreft ‘het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen’ ten slotte, stelt de klachtencommissie vast dat de directie verwijst naar een algemene bepaling in het huishoudelijk reglement, m.n. “De gedetineerde heeft de plicht er zorg voor te dragen dat hij door zijn gedrag ten opzichte van het personeel, medegedetineerden en andere personen de orde (menswaardig samenlevingsklimaat) en de veiligheid niet in gevaar brengt” (pagina 4 van het huishoudelijk reglement van de gevangenis van Brugge).
Deze algemene bepaling is een loutere overname van de algemene gedragsvoorschriften van artikel 106, §1 en §2 van de Basiswet en roept daardoor op zichzelf géén tuchtinbreuk in het leven. Het niet respecteren van deze passage kan met andere woorden niet opgevat worden als een overtreding van het huishoudelijk reglement. Ook deze kwalificatie kan volgens de klachtencommissie dan ook niet overeind blijven.
Om deze redenen is de klacht dan ook gegrond. De klachtencommissie kent voor het overige geen tegemoetkoming toe.
- De fouille op het lichaam
De bestreden beslissing tot fouillering op het lichaam wordt als volgt gemotiveerd: “verbale agressie”
De directeur vermeldt in haar motivering niet welke de individuele aanwijzingen zijn. De directie motiveert evenmin waarom een onderzoek aan de kledij niet had volstaan en waarom een fouillering op het lichaam noodzakelijk was.
Om deze reden is de beslissing tot fouillering onwettig. De klacht is dus gegrond.
- De voorlopige maatregel
De voorlopige maatregel werd gemotiveerd als volgt: “verbale agressie”.
De directie motiveert in haar beslissing op geen enkele manier waarom de situatie een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid inhield, en op welke manier de plaatsing op de beveiligde cel verantwoord was. Nochtans dient de directie in de beslissing zelf aan te geven waarom een voorlopige maatregel noodzakelijk was en om welke reden men voor een specifieke maatregel heeft gekozen, ook al zou dit voldoende blijken uit het RAD.
De directie heeft met andere woorden niet voldaan aan haar motiveringsplicht.
De klacht is gegrond.
- De tuchtbeslissing
Klager werd bij tuchtbeslissing gesanctioneerd met één week ATV voor de volgende inbreuken:
- ‘de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee’ ,
- ‘de opzettelijke aantasting van de orde’ , en
- ‘de niet-naleven van de door het huishoudelijk voorgeschreven bepalingen’.
De gedetineerde kan alleen schuldig worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan, schuldig acht. De directie dient haar innerlijke overtuiging ook op afdoende wijze ter kennis te brengen van de tuchtrechtelijk vervolgde gedetineerde.
Wat betreft ‘de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee’, merkt de klachtencommissie op dat de directie deze inbreuk niet herneemt in de motivering van haar beslissing. De directie verwijst op geen enkele manier naar de feiten en zet niet uiteenzet waarom zij deze aan klager toerekent. Bovendien is het uit de motivering niet op te maken waarom de directie bepaalde feiten kwalificeert als de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit of de bedreiging daarmee. Deze inbreuk vereist een bijzonder opzet in hoofde van klager, maar de directie heeft nagelaten om dit bijzonder opzet aan te tonen.
Ook met betrekking tot ‘de opzettelijke aantasting van de orde’, meent de klachtencommissie dat de motiveringsplicht onvoldoende werd nageleefd. Hoewel de directie naar deze inbreuk verwijst in haar beslissing, is het uit de motivering niet af te leiden welke feiten zij op deze manier kwalificeert en waarom. Opnieuw ontbreekt ook de motivering in verband met de toerekenbaarheid van de feiten aan klager.
De tuchtbeslissing is onvoldoende gemotiveerd wat betreft bovenvermelde tuchtinbreuken. De directie verwijst in haar beslissing niet of slechts op een abstracte wijze naar de feiten en kwalificaties die ze weerhoudt. Nochtans rust op de directie een motiveringsplicht , waaruit volgt dat ze moet uiteenzetten waarom ze ervan overtuigd is dat een gedetineerde de hem ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
Wat betreft ‘het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen’ ten slotte, stelt de klachtencommissie vast dat de directie verwijst naar een algemene bepaling in het huishoudelijk reglement, m.n. “De gedetineerde heeft de plicht er zorg voor te dragen dat hij door zijn gedrag ten opzichte van het personeel, medegedetineerden en andere personen de orde (menswaardig samenlevingsklimaat) en de veiligheid niet in gevaar brengt” (pagina 4 van het huishoudelijk reglement van de gevangenis van Brugge).
Deze algemene bepaling is een loutere overname van de algemene gedragsvoorschriften van artikel 106, §1 en §2 van de Basiswet en roept daardoor op zichzelf géén tuchtinbreuk in het leven. Het niet respecteren van deze passage kan met andere woorden niet opgevat worden als een overtreding van het huishoudelijk reglement. Ook deze kwalificatie kan volgens de klachtencommissie dan ook niet overeind blijven.
Om deze redenen is de klacht dan ook gegrond. De klachtencommissie kent voor het overige geen tegemoetkoming toe.