KC05/25-0219
Ongegrond
Gegrond
KC - Brugge
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
Voorlopige maatregel
Tucht
Fouille op het lichaam
VOORLOPIGE MAATREGEL - MAATREGELEN VAN RECHTSTREEKSE DWANG - FOUILLE LICHAAM - UITVOERING - TUCHT
De klacht is gericht tegen 1) een voorlopige maatregel tot plaatsing van klaagster in een veiligheidscel die gepaard ging met het gebruik van maatregelen van rechtstreekse dwang en met een fouillering op het lichaam en 2) de daaropvolgende tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Brugge.
De klachten zijn ontvankelijk.
- Klaagster werd bij wijze van voorlopige maatregel in een beveiligde cel geplaatst. Er is onduidelijkheid of dit gebeurde met voorafgaande toestemming van een directeur. In ieder geval gaat het over een beslissing die door de directie had moeten genomen worden. Het is dus minstens een beslissing die namens de directeur werd genomen.
- Klaagster werd in een rolstoel en vastgebonden overgebracht naar een beveiligde cel. Beslissingen over het inzetten en gebruik van bepaalde dwangmiddelen (zoals handboeien) of interventiemiddelen kunnen uitsluitend door de directeur worden genomen. De klacht gaat dus over een beslissing namens de directeur, die nochtans enkel door de directeur had mogen worden genomen.
De klacht over de voorlopige maatregel tot plaatsing van klaagster in een veiligheidscel met het gebruik van maatregelen van rechtstreekse dwang en met een fouillering op het lichaam, is gegrond.
- Het schoppen op een celdeur en het beledigen van een beambte zijn geen gedragingen die te beschouwen zijn als “ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid” en rechtvaardigen geen voorlopige maatregel van plaatsing in een beveiligde cel.
- De directie erkent dat er een vergissing is gebeurd en dat er geen (medische- of directie)toestemming (dus: beslissing) was voor het gebruiken van maatregelen van rechtstreekse dwang (in dit geval: fixeren) van klaagster. Om deze reden alleen al is de klacht gegrond. De gebruikte dwangmaatregelen ten aanzien van klaagster waren manifest onwettig.
- De klachtencommissie verwijst naar een eerdere beslissing waarbij onder meer verwezen werd naar aanbevelingen van het Europees Antifoltercomité (“CPT”) over het “fixeren” en waarbij de klachtencommissie tot de conclusie kwam dat fixatie het allerlaatste redmiddel zou moeten zijn in een situatie waarin een gedetineerde om welbepaalde redenen een gevaar vormt voor zichzelf of voor anderen. Om verder onwettig of disproportioneel gebruik van de “fixatie-procedure” te vermijden, beveelt de klachtencommissie de directie aan om bovenvermelde beslissing van de klachtencommissie onder de aandacht van het personeel te brengen.
- De directie geeft in haar motivering van de beslissing tot fouillering op het lichaam niet aan welke de individuele aanwijzingen waren dat klaagster in het bezit zou zijn van verboden of gevaarlijke voorwerpen of substanties. De beslissing is onwettig.
Het wordt door de directie niet betwist dat klaagster niet in de daarvoor voorziene gesloten ruimte, maar in de veiligheidscel werd gefouilleerd. De directeur geeft zelf aan dat de deur van de veiligheidscel bovendien openstond, want in de deuropening stonden mannelijke beambten.
Waar klaagster zich volgens de directie, eens in de veiligheidscel, “zonder problemen heeft omgekleed”, beweert klaagster dat ze werd “uitgekleed” en dat haar kleding richting de mannelijke beambten werd gegooid. Voor dit aspect van de klacht is geen hard bewijs. Voor zover als nodig wenst de klachtencommissie toch te benadrukken dat het in geen geval toegelaten is voor personeel om een gedetineerde te ontkleden; dit moet de gedetineerde op eigen initiatief doen.
De klacht over de tuchtbeslissing is ongegrond. Het is bewezen dat klaagster zich schuldig maakte aan de tuchtinbreuken ‘de opzettelijke aantasting van de orde’ en ‘het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden’. De tuchtsanctie van 10 dagen ATV is niet onwettig of onredelijk.
De klacht is gericht tegen 1) een voorlopige maatregel tot plaatsing van klaagster in een veiligheidscel die gepaard ging met het gebruik van maatregelen van rechtstreekse dwang en met een fouillering op het lichaam en 2) de daaropvolgende tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Brugge.
De klachten zijn ontvankelijk.
- Klaagster werd bij wijze van voorlopige maatregel in een beveiligde cel geplaatst. Er is onduidelijkheid of dit gebeurde met voorafgaande toestemming van een directeur. In ieder geval gaat het over een beslissing die door de directie had moeten genomen worden. Het is dus minstens een beslissing die namens de directeur werd genomen.
- Klaagster werd in een rolstoel en vastgebonden overgebracht naar een beveiligde cel. Beslissingen over het inzetten en gebruik van bepaalde dwangmiddelen (zoals handboeien) of interventiemiddelen kunnen uitsluitend door de directeur worden genomen. De klacht gaat dus over een beslissing namens de directeur, die nochtans enkel door de directeur had mogen worden genomen.
De klacht over de voorlopige maatregel tot plaatsing van klaagster in een veiligheidscel met het gebruik van maatregelen van rechtstreekse dwang en met een fouillering op het lichaam, is gegrond.
- Het schoppen op een celdeur en het beledigen van een beambte zijn geen gedragingen die te beschouwen zijn als “ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid” en rechtvaardigen geen voorlopige maatregel van plaatsing in een beveiligde cel.
- De directie erkent dat er een vergissing is gebeurd en dat er geen (medische- of directie)toestemming (dus: beslissing) was voor het gebruiken van maatregelen van rechtstreekse dwang (in dit geval: fixeren) van klaagster. Om deze reden alleen al is de klacht gegrond. De gebruikte dwangmaatregelen ten aanzien van klaagster waren manifest onwettig.
- De klachtencommissie verwijst naar een eerdere beslissing waarbij onder meer verwezen werd naar aanbevelingen van het Europees Antifoltercomité (“CPT”) over het “fixeren” en waarbij de klachtencommissie tot de conclusie kwam dat fixatie het allerlaatste redmiddel zou moeten zijn in een situatie waarin een gedetineerde om welbepaalde redenen een gevaar vormt voor zichzelf of voor anderen. Om verder onwettig of disproportioneel gebruik van de “fixatie-procedure” te vermijden, beveelt de klachtencommissie de directie aan om bovenvermelde beslissing van de klachtencommissie onder de aandacht van het personeel te brengen.
- De directie geeft in haar motivering van de beslissing tot fouillering op het lichaam niet aan welke de individuele aanwijzingen waren dat klaagster in het bezit zou zijn van verboden of gevaarlijke voorwerpen of substanties. De beslissing is onwettig.
Het wordt door de directie niet betwist dat klaagster niet in de daarvoor voorziene gesloten ruimte, maar in de veiligheidscel werd gefouilleerd. De directeur geeft zelf aan dat de deur van de veiligheidscel bovendien openstond, want in de deuropening stonden mannelijke beambten.
Waar klaagster zich volgens de directie, eens in de veiligheidscel, “zonder problemen heeft omgekleed”, beweert klaagster dat ze werd “uitgekleed” en dat haar kleding richting de mannelijke beambten werd gegooid. Voor dit aspect van de klacht is geen hard bewijs. Voor zover als nodig wenst de klachtencommissie toch te benadrukken dat het in geen geval toegelaten is voor personeel om een gedetineerde te ontkleden; dit moet de gedetineerde op eigen initiatief doen.
De klacht over de tuchtbeslissing is ongegrond. Het is bewezen dat klaagster zich schuldig maakte aan de tuchtinbreuken ‘de opzettelijke aantasting van de orde’ en ‘het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden’. De tuchtsanctie van 10 dagen ATV is niet onwettig of onredelijk.