Ga verder naar de inhoud

KC05/26-0144

Gegrond KC - Brugge Klachtencommissie Bijzondere veiligheidsmaatregel
BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL

De klacht gaat over de beslissing van de gevangenis van Brugge tot het opleggen van bijzondere veiligheidsmaatregelen (hierna: ‘BVM’).

Klager werd op 28 april 2026 gehoord in het kader van een tweede verlenging van de eerdere BVM. Diezelfde dag besliste de directie om de BVM voor een tweede maal te verlengen. De BVM nam aanvang op 4 mei 2026 en zou lopen tot en met 10 mei 2026.

Vooreerst stelt de klachtencommissie vast dat de voorgaande BVM (de eerste verlenging) liep van 27 april 2026 tot en met 3 mei 2026. Klager werd in het kader van deze BVM gehoord op 23 april 2026. Het hoormoment van de bestreden BVM vond vijf dagen later plaats, op 28 april 2026. De directie stelde in haar verweer dat klager psychisch gedestabiliseerd is en aan enig ziekte-inzicht ontbreekt. Ze kadert haar beslissing om de hoorzitting zes dagen voor aanvang van de BVM te houden in de verkorte werkweek en de lopende ordemaatregel glasbezoek.
De klachtencommissie wijst erop dat de directie op 28 april 2026, zijnde vijf dagen na het eerdere hoormoment, nog niet kon oordelen of dit risico zes dagen later (bij ingang van de BVM op 4 mei 2026) inderdaad nog zou bestaan. Dit betreft naar het oordeel van de klachtencommissie een voorbarig oordeel over de noodzaak van het verlengen van de BVM , die volgens de Basiswet immers slechts mogen worden opgelegd voor de strikt noodzakelijke duur.

De klachtencommissie is er op basis hiervan niet van overtuigd dat er op een redelijk tijdstip (vijf vóór het aflopen van de eerdere BVM) een doorgedreven herevaluatie van klagers situatie is gebeurd.

De klachtencommissie stelt voorts vast dat de individuele veiligheidsmaatregelen summier gemotiveerd zijn. In dit dossier werd een constante observatie om de dertig minuten bevolen, zonder het vermelden van individuele omstandigheden waaruit de noodzaak van de precieze maatregel blijkt. Hetzelfde geldt voor ‘de uitsluiting van deelname aan bepaalde gemeenschappelijke of individuele activiteiten’ (meer specifiek wat betreft briefwisseling en telefoon), ‘het verplicht verblijf in de hem toegewezen verblijfsruimte’ en ‘de onderbrenging in een beveiligde cel, zonder voorwerpen waarvan het gebruik gevaarlijk kan zijn’.

De klacht is gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden beslissing en kent verder geen tegemoetkoming toe.