KC05/26-0164
Gegrond
Tegemoetkoming
KC - Brugge
Klachtencommissie
Ordemaatregel
ORDEMAATREGEL - MOTIVERING - TEGEMOETKOMING
De klacht gaat over de beslissing van de directie tot verlenging van een eerder aan klager opgelegd plantonverbod.
De klachtencommissie stelt vast dat de oorspronkelijke ordemaatregel uitdrukkelijk beperkt was in de tijd. Een dergelijke termijn veronderstelt onder meer dat het gedrag van klager gedurende de looptijd van de maatregel wordt geëvalueerd, zodat na afloop ervan kan worden beoordeeld of een verlenging al dan niet noodzakelijk is.
Het plantonverbod werd met één maand verlengd zonder dat uit de bestreden beslissing blijkt of en op welke wijze de directie het gedrag van klager tijdens de duur van de eerdere ordemaatregel heeft geëvalueerd. De verlengingsbeslissing preciseert evenmin welke nieuwe gedragingen of concrete elementen de verlenging noodzakelijk zouden maken. Er worden geen rapporten aan de directeur, meldingsverslagen of verslagen van evaluatiegesprekken tussen klager en de directie voorgelegd. Integendeel, de directie erkent in haar verweer uitdrukkelijk dat zich geen nieuwe feiten hebben voorgedaan.
De klachtencommissie stelt dan ook vast dat de verlenging louter gesteund is op gedragingen die dateren van vóór aanvang van de eerdere ordemaatregel en dat geen rekening werd gehouden met geactualiseerde informatie. Het is bovendien volledig onduidelijk welke handelingen klager zelf had kunnen stellen, dan wel welk gedrag hij had kunnen aanpassen, om een verlenging van de maatregel te vermijden.
Daarbij merkt de klachtencommissie op dat de directie enerzijds aangeeft dat zich geen nieuwe incidenten hebben voorgedaan, maar anderzijds stelt dat het risico nog steeds aanwezig is. Een dergelijke motivering laat evenwel niet toe te begrijpen op welke wijze of onder welke voorwaarden het vooropgestelde risico nog zou kunnen verminderen. De klachtencommissie wijst erop dat bij personen met het profiel van klager niet noodzakelijk ooit tot een nul-risico-inschatting zal kunnen worden gekomen. Juist daarom is een aangepaste begeleiding en behandeling van essentieel belang.
In dat verband blijkt uit dit en het vorige dossier dat klager door het plantonverbod in de praktijk geen beroep meer kon doen op de hulp waarop hij voordien via het planton een beroep deed. De contacten met het zorgteam, zowel op cel als op de afdeling, evenals de consultaties bij psychiaters, therapeuten en andere hulpverleners, zijn nochtans essentieel voor de begeleiding van zijn onderliggende problematiek. Door het plantonverbod wordt klager aldus geraakt in zijn recht op medische en psychologische behandeling.
Aangezien deze professionele diensten precies belast zijn met de behandeling en begeleiding van dergelijke problematieken, dient maximaal te worden gewaarborgd dat klager toegang behoudt tot deze vormen van hulpverlening. De klachtencommissie is van oordeel dat ook op de directie een verantwoordelijkheid rust om hierop toe te zien.
Gelet op het voorgaande besluit de klachtencommissie dat de bestreden beslissing onvoldoende gemotiveerd is en niet redelijk en billijk kan worden geacht. De klacht is bijgevolg gegrond.
De klachtencommissie vernietigt de bestreden beslissing. Het plantonverbod ten aanzien van klager dient onmiddellijk te worden opgeheven.
De klachtencommissie kent aan klager een tegemoetkoming van 14 euro belkrediet toe.
De klacht gaat over de beslissing van de directie tot verlenging van een eerder aan klager opgelegd plantonverbod.
De klachtencommissie stelt vast dat de oorspronkelijke ordemaatregel uitdrukkelijk beperkt was in de tijd. Een dergelijke termijn veronderstelt onder meer dat het gedrag van klager gedurende de looptijd van de maatregel wordt geëvalueerd, zodat na afloop ervan kan worden beoordeeld of een verlenging al dan niet noodzakelijk is.
Het plantonverbod werd met één maand verlengd zonder dat uit de bestreden beslissing blijkt of en op welke wijze de directie het gedrag van klager tijdens de duur van de eerdere ordemaatregel heeft geëvalueerd. De verlengingsbeslissing preciseert evenmin welke nieuwe gedragingen of concrete elementen de verlenging noodzakelijk zouden maken. Er worden geen rapporten aan de directeur, meldingsverslagen of verslagen van evaluatiegesprekken tussen klager en de directie voorgelegd. Integendeel, de directie erkent in haar verweer uitdrukkelijk dat zich geen nieuwe feiten hebben voorgedaan.
De klachtencommissie stelt dan ook vast dat de verlenging louter gesteund is op gedragingen die dateren van vóór aanvang van de eerdere ordemaatregel en dat geen rekening werd gehouden met geactualiseerde informatie. Het is bovendien volledig onduidelijk welke handelingen klager zelf had kunnen stellen, dan wel welk gedrag hij had kunnen aanpassen, om een verlenging van de maatregel te vermijden.
Daarbij merkt de klachtencommissie op dat de directie enerzijds aangeeft dat zich geen nieuwe incidenten hebben voorgedaan, maar anderzijds stelt dat het risico nog steeds aanwezig is. Een dergelijke motivering laat evenwel niet toe te begrijpen op welke wijze of onder welke voorwaarden het vooropgestelde risico nog zou kunnen verminderen. De klachtencommissie wijst erop dat bij personen met het profiel van klager niet noodzakelijk ooit tot een nul-risico-inschatting zal kunnen worden gekomen. Juist daarom is een aangepaste begeleiding en behandeling van essentieel belang.
In dat verband blijkt uit dit en het vorige dossier dat klager door het plantonverbod in de praktijk geen beroep meer kon doen op de hulp waarop hij voordien via het planton een beroep deed. De contacten met het zorgteam, zowel op cel als op de afdeling, evenals de consultaties bij psychiaters, therapeuten en andere hulpverleners, zijn nochtans essentieel voor de begeleiding van zijn onderliggende problematiek. Door het plantonverbod wordt klager aldus geraakt in zijn recht op medische en psychologische behandeling.
Aangezien deze professionele diensten precies belast zijn met de behandeling en begeleiding van dergelijke problematieken, dient maximaal te worden gewaarborgd dat klager toegang behoudt tot deze vormen van hulpverlening. De klachtencommissie is van oordeel dat ook op de directie een verantwoordelijkheid rust om hierop toe te zien.
Gelet op het voorgaande besluit de klachtencommissie dat de bestreden beslissing onvoldoende gemotiveerd is en niet redelijk en billijk kan worden geacht. De klacht is bijgevolg gegrond.
De klachtencommissie vernietigt de bestreden beslissing. Het plantonverbod ten aanzien van klager dient onmiddellijk te worden opgeheven.
De klachtencommissie kent aan klager een tegemoetkoming van 14 euro belkrediet toe.