Ga verder naar de inhoud

KC06/24-0083

Gegrond KC - Dendermonde Klachtencommissie Tucht
TUCHT - BIJSTAND ADVOCAAT - HUISHOUDELIJK REGLEMENT

De klacht betreft een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis.

Wat betreft de afwezigheid van de advocaat van klager tijdens het gesprek met de directeur naar aanleiding van het RAD:
Klager beklaagt zich over het feit dat hij niet op de hoogte werd gebracht van het rapport en op de hoorzitting verscheen zonder advocaat.
De directie maakt in haar verweer duidelijk dat het “gesprek” louter een rapport was naar aanleiding van een RAD, en geen hoorzitting in het kader van een tuchtprocedure.
De klachtencommissie meent dat het verweer van de directie wordt ondersteund door de stukken van het dossier en de chronologie ervan. Hieruit blijkt dat het ging om een informeel gesprek tussen
de directeur en klager naar aanleiding van het RAD dat werd opgesteld ten aanzien van klager. De klachtencommissie merkt op dat het gebruikelijk is dat er eerst een informeel gesprek plaatsvindt
tussen de directeur en de betrokkene alvorens een beslissing over het opstarten van een formele tuchtprocedure wordt gemaakt. Aangezien het gesprek niet plaatsvindt in het formele kader van
de tuchtprocedure, maakt het feit dat het gesprek plaatsvond buiten de aanwezigheid van een advocaat geen schending uit van de rechten van verdediging.

Wat betreft het overschrijden van de tuchtrechtelijke termijn:
Klager en zijn advocaat voeren aan dat de tuchtrechtelijke termijn van zeven dagen overschreden is. In casu werd de tuchtrechtelijke hoorzitting van 2 april 2024 uitgesteld op vraag van de advocaat
omdat deze niet aanwezig kon zijn. Klager en zijn advocaat werden nogmaals uitgenodigd, ditmaal voor de zitting van 3 april. De behandeling van het dossier werd opnieuw uitgesteld op vraag van de
advocaat, deze keer omdat de directeur die bevoegd was voor de tuchtbeslissing ook betrokken was in het desbetreffende RAD. De klachtencommissie meent dat het overschrijden van de termijn veroorzaakt werd door de advocaat van klager. Klager kan zich daarom niet beroepen op enige belangenschade.

Wat betreft de tuchtbeslissing:
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor
- het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden
- het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel
Klager kreeg hiervoor een tuchtsanctie van zeven dagen ATV opgelegd.

De klachtencommissie meent vooreerst dat de rapporten aan de directeur duidelijk en gedetailleerd zijn. Ze ziet geen reden om te twijfelen aan de bevindingen zoals die beschreven staan in de
rapporten. Bovendien ontkent klager de feiten niet op de tuchtrechtelijke hoorzitting. Met betrekking tot het eerste RAD voert hij weliswaar aan dat hij niet drie keer, maar één keer heeft gezegd “ik ben
geen portier”. Met betrekking tot het tweede RAD voert de advocaat van klager aan dat hij last had van rugpijn en geen gehoor vond bij de dokter, wat zijn gedrag kaderde.
De klachtencommissie meent dat de directie de feiten redelijkerwijze als bewezen kon beschouwen.

Wat betreft de eerste kwalificatie, wijst de klachtencommissie de directie op haar eigen motivering van de tuchtbeslissing. De directie citeert namelijk een bepaling uit het huishoudelijk reglement: “de
gedetineerde heeft de plicht er zorg voor te dragen dat hij door zijn gedrag ten opzicht van het personeel, medegedetineerden en andere personen de orde en de veiligheid niet in gevaar brengt.”
In die zin meent de klachtencommissie dat uit de tuchtbeslissing zelf blijkt dat de directie de feiten kwalificeert als een inbreuk op het huishoudelijk reglement. Ze motiveert niet waarom zij de feiten
als “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden” kwalificeert. Dit is nochtans vereist door artikel 8 van de Basiswet, dat bepaalt dat elke beslissing die in het kader van deze wet
wordt genomen, met redenen omkleed is.

Ze klachtencommissie vernietigt dan ook de eerste kwalificatie van de tuchtrechtelijke feiten en bepaalt dat haar beslissing in de plaats treedt van de vernietigde kwalificatie. Concreet betekent dit
het volgende:
- de kwalificatie van de feiten als “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden” wordt vernietigd en vervangen door
- de kwalificatie als “het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”

Wat betreft de tweede kwalificatie, meent de klachtencommissie dat de directie voldoende gemotiveerd heeft waarom zij de feiten kwalificeert als “het geen gevolg geven aan de aanmaningen
en de bevelen van het personeel”. Zoals gezegd, kreeg klager een tuchtsanctie opgelegd van zeven dagen ATV. In haar tuchtbeslissing motiveert de directie deze sanctie door te stellen dat “dit […] een inbreuk categorie 2 [is], hiervoor kan men een maximum van 30 dagen ATV voor krijgen.” De klachtencommissie wijst de directie erop dat de maximumsanctie voor een tuchtinbreuk van de tweede categorie 15 dagen ATV is. De maximumsanctie waarnaar de directie verwijst, is die voor een tuchtinbreuk van de eerste categorie. De klachtencommissie acht de sanctie van zeven dagen ATV echter niet onredelijk. Met uitzondering van de tuchtrechtelijke kwalificatie, blijft de tuchtsanctie daarom onverlet.
De klacht is aldus gedeeltelijk gegrond, voor wat betreft de kwalificatie van de feiten als “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden”. De tuchtsanctie van zeven dagen ATV
blijft behouden.