Ga verder naar de inhoud

KC06/24-0143

Ongegrond KC - Dendermonde Klachtencommissie Andere beslissing directeur Tucht
TUCHT - ARBEID - ONTSLAG

De klacht betreft een beslissing tot afzetting van werk en een tuchtbeslissing.

Het rapport aan de directeur dat een penitentiair beambte opstelt wanneer hij een feit vaststelt waarvan hij vermoedt dat het een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakt, zoals artikel 144 van de basiswet voorschrijft, is een gegeven waarop de directie haar beoordeling van het bestaan en de ernst van de feiten kan steunen. Hetgeen klager betoogt, is echter niet van die aard om afbreuk te doen aan de bewijswaarde van de voorliggende rapporten aan de directeur. De directie kon dan ook binnen de grenzen van de redelijkheid oordelen dat de feiten die aan de klager werd ten laste gelegd, bewezen waren. De directie kon deze feiten omschrijven als:

- de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit en het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden;
- het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden;
- het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen;
- het geen gevolg geven aan de aanmaningen en bevelen van het personeel.

De eerste kwalificatie is een tuchtvergrijp van de eerste categorie (artikel 129 2° basiswet), die kan worden gestraft met afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte voor een maximumduur van dertig dagen (artikel 132, 3°, basiswet). Bijgevolg komt de straftoemeting van 20 dagen ATV over als passend, in het licht van het feit dat klager een lang tuchtregister heeft in verband met gelijkaardige bedreigingen naar personeelsleden.

Wat betreft de afzetting van werk stelt de klachtencommissie voorts vast dat de feiten zich afspeelden op de werkvloer, zodat het redelijk is dat klager in die omstandigheden ook ontslagen werd. De klacht is dan ook ongegrond.