KC06/24-0150
Onontvankelijk
KC - Dendermonde
Klachtencommissie
Geen beslissing directeur
FOUILLE OP HET LICHAAM - GEGROND - GEEN BESLISSING DIRECTEUR - NIET ONTVANKELIJK
De klacht KC06/24-0149 betreft de beslissing tot fouillering op het lichaam en de klacht KC06/24-0150 betreft de behandeling door de psychosociale dienst.
Wat betreft de eerste klacht:
Uit artikel 8, § 1, lid 142, van de basiswet volgt dat alle beslissingen van de directie van de penitentiaire inrichting formeel moeten worden gemotiveerd.
De redenen die aanleiding gaven om een naaktfouillering te houden moeten door de directie verantwoord worden.
Uit de samenlezing van artikel 108, §1 en §2 tweede lid van de Basiswet, volgt dat de directeur slechts kan beslissen tot fouillering op het lichaam als er individuele aanwijzingen zijn dat het onderzoek aan de kledij niet volstaat om na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn.
De motivering moet evenredig zijn aan het belang van de beslissing en aan de omvang van de beleidsvrijheid waarover het bestuur beschikt.
Een beslissing tot fouillering op het lichaam is per definitie een ingrijpende beslissing, zodat zij uitvoerig moet worden gemotiveerd. Er is bovendien sprake van een discretionaire bevoegdheid bij het nemen van een dergelijke beslissing, waarbij de directie de ‘individuele aanwijzingen’ invult.
Er is geen sprake van individuele aanwijzingen die toelaten om te oordelen dat het onderzoek van de kledij niet volstaat, om na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn.
Klager heeft bovendien geen voorgaanden inzake bezit of handel in verboden substanties.
De klacht tegen de beslissing tot fouillering op het lichaam is dan ook gegrond.
Wat betreft de tweede klacht:
Klager wordt naar de commissie van toezicht verwezen inzake zijn bekommernissen omtrent de werking van de PSD.
Dit aspect van zijn klacht is onontvankelijk.
De klacht KC06/24-0149 betreft de beslissing tot fouillering op het lichaam en de klacht KC06/24-0150 betreft de behandeling door de psychosociale dienst.
Wat betreft de eerste klacht:
Uit artikel 8, § 1, lid 142, van de basiswet volgt dat alle beslissingen van de directie van de penitentiaire inrichting formeel moeten worden gemotiveerd.
De redenen die aanleiding gaven om een naaktfouillering te houden moeten door de directie verantwoord worden.
Uit de samenlezing van artikel 108, §1 en §2 tweede lid van de Basiswet, volgt dat de directeur slechts kan beslissen tot fouillering op het lichaam als er individuele aanwijzingen zijn dat het onderzoek aan de kledij niet volstaat om na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn.
De motivering moet evenredig zijn aan het belang van de beslissing en aan de omvang van de beleidsvrijheid waarover het bestuur beschikt.
Een beslissing tot fouillering op het lichaam is per definitie een ingrijpende beslissing, zodat zij uitvoerig moet worden gemotiveerd. Er is bovendien sprake van een discretionaire bevoegdheid bij het nemen van een dergelijke beslissing, waarbij de directie de ‘individuele aanwijzingen’ invult.
Er is geen sprake van individuele aanwijzingen die toelaten om te oordelen dat het onderzoek van de kledij niet volstaat, om na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn.
Klager heeft bovendien geen voorgaanden inzake bezit of handel in verboden substanties.
De klacht tegen de beslissing tot fouillering op het lichaam is dan ook gegrond.
Wat betreft de tweede klacht:
Klager wordt naar de commissie van toezicht verwezen inzake zijn bekommernissen omtrent de werking van de PSD.
Dit aspect van zijn klacht is onontvankelijk.