KC06/25-0097
Ongegrond
KC - Dendermonde
Klachtencommissie
Tucht
Fouille op het lichaam
FOUILLE LICHAAM - MAATREGELEN VAN RECHTSTREEKSE DWANG - TUCHT -
De klacht is tweeledig en betreft:
- de uitvoering van de fouille op het lichaam van 10 maart 2025;
- de tuchtbeslissing van 11 maart 2025.
Wat betreft de fouillering op het lichaam:
Klager dient enerzijds klacht in over het feit dat hij tijdens een fouille op de grond geduwd, gehandboeid en “gewurgd” werd toen hij iets probeerde door te slikken. De directie weerlegt in haar verweer niet dat er sprake was van dwang.
Ook in het RAD verklaren de beambten zelf dat ze klager hebben “geïmmobiliseerd met de aangeleerde technieken”, om te vermijden dat hij iets zou inslikken.
De klachtencommissie stelt vast dat het RAD op een duidelijke en overzichtelijke manier is opgesteld, waarbij de feiten in chronologische volgorde worden weergegeven. Uit het RAD blijkt dat de intentie van de betrokken beambten was om de handen van klager vast te pakken en klem te nemen volgens de aangeleerde fixatietechnieken, om te voorkomen dat hij een voorwerp in zijn mond zou steken en in zou slikken. Volgens het ‘fouilleplan gevangenis’ mogen penitentiaire beambten tijdens een naaktfouillering handelingen verrichten om te voorkomen dat een gedetineerde een voorwerp in zijn mond stopt, zoals het in een klem nemen van de handen of armen.
De klachtencommissie is van oordeel dat het gebruik van de dwang niet langer duurde dan strikt noodzakelijk was. Ze bleef (in tijd) beperkt als noodzakelijk middel om de beoogde doelstelling te bereiken, namelijk het vermijden van intoxicatie en het afwenden van een mogelijks levensbedreigende situatie. De gebruikte technieken waren proportioneel om het doel te bereiken en werden ook correct beschreven in het betreffende register van ‘maatregelen van rechtstreekse dwang’.
De klachtencommissie concludeert dat het gebruik van immobilisatietechnieken (waaronder het gebruik van de handboeien) in het specifieke geval van klager niet onwettig was. De klachtencommissie is ook van oordeel dat het gebruik van deze dwangmiddelen, gelet op de bedreigende situatie, redelijk was.
Dit deel van de klacht is ongegrond.
Wat betreft de tuchtbeslissing:
Klager kreeg een tuchtsanctie van ‘1 maand glasbezoek’ nadat hij door de directie schuldig werd bevonden aan volgende tuchtrechtelijke inbreuk: “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties.”
Enerzijds werd er in het RAD van 10 maart 2025 door een beambte beschreven hoe klager tijdens het bezoek iets in zijn zak stak. Bijkomend werd tijdens de fouille op het lichaam vastgestelde dat klager een verdachte substantie innam. Klager ontkent dit tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting.
Ook zonder over onomstotelijk bewijs over de aard van een verdachte substantie te beschikken, kan de gevangenisdirecteur overgaan tot het tuchtrechtelijk sanctioneren van een gedetineerde die in het bezit is van deze verdachte substantie, wanneer de gedetineerde zelf niet aannemelijk maakt dat het niet over drugs gaat. Het heimelijk gedrag van klager tijdens de fouille op het lichaam kon ook minstens doen vermoeden dat het effectief ging om een verboden substantie.
Gelet op de motivering van de beslissing, met verwijzing naar het opgestelde RAD ten aanzien van klager, is de klachtencommissie van oordeel dat de directie de tuchtinbreuk redelijkerwijze als bewezen en toerekenbaar aan klager kon beschouwen.
Dit deel van de klacht is ongegrond.
De klacht is tweeledig en betreft:
- de uitvoering van de fouille op het lichaam van 10 maart 2025;
- de tuchtbeslissing van 11 maart 2025.
Wat betreft de fouillering op het lichaam:
Klager dient enerzijds klacht in over het feit dat hij tijdens een fouille op de grond geduwd, gehandboeid en “gewurgd” werd toen hij iets probeerde door te slikken. De directie weerlegt in haar verweer niet dat er sprake was van dwang.
Ook in het RAD verklaren de beambten zelf dat ze klager hebben “geïmmobiliseerd met de aangeleerde technieken”, om te vermijden dat hij iets zou inslikken.
De klachtencommissie stelt vast dat het RAD op een duidelijke en overzichtelijke manier is opgesteld, waarbij de feiten in chronologische volgorde worden weergegeven. Uit het RAD blijkt dat de intentie van de betrokken beambten was om de handen van klager vast te pakken en klem te nemen volgens de aangeleerde fixatietechnieken, om te voorkomen dat hij een voorwerp in zijn mond zou steken en in zou slikken. Volgens het ‘fouilleplan gevangenis’ mogen penitentiaire beambten tijdens een naaktfouillering handelingen verrichten om te voorkomen dat een gedetineerde een voorwerp in zijn mond stopt, zoals het in een klem nemen van de handen of armen.
De klachtencommissie is van oordeel dat het gebruik van de dwang niet langer duurde dan strikt noodzakelijk was. Ze bleef (in tijd) beperkt als noodzakelijk middel om de beoogde doelstelling te bereiken, namelijk het vermijden van intoxicatie en het afwenden van een mogelijks levensbedreigende situatie. De gebruikte technieken waren proportioneel om het doel te bereiken en werden ook correct beschreven in het betreffende register van ‘maatregelen van rechtstreekse dwang’.
De klachtencommissie concludeert dat het gebruik van immobilisatietechnieken (waaronder het gebruik van de handboeien) in het specifieke geval van klager niet onwettig was. De klachtencommissie is ook van oordeel dat het gebruik van deze dwangmiddelen, gelet op de bedreigende situatie, redelijk was.
Dit deel van de klacht is ongegrond.
Wat betreft de tuchtbeslissing:
Klager kreeg een tuchtsanctie van ‘1 maand glasbezoek’ nadat hij door de directie schuldig werd bevonden aan volgende tuchtrechtelijke inbreuk: “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties.”
Enerzijds werd er in het RAD van 10 maart 2025 door een beambte beschreven hoe klager tijdens het bezoek iets in zijn zak stak. Bijkomend werd tijdens de fouille op het lichaam vastgestelde dat klager een verdachte substantie innam. Klager ontkent dit tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting.
Ook zonder over onomstotelijk bewijs over de aard van een verdachte substantie te beschikken, kan de gevangenisdirecteur overgaan tot het tuchtrechtelijk sanctioneren van een gedetineerde die in het bezit is van deze verdachte substantie, wanneer de gedetineerde zelf niet aannemelijk maakt dat het niet over drugs gaat. Het heimelijk gedrag van klager tijdens de fouille op het lichaam kon ook minstens doen vermoeden dat het effectief ging om een verboden substantie.
Gelet op de motivering van de beslissing, met verwijzing naar het opgestelde RAD ten aanzien van klager, is de klachtencommissie van oordeel dat de directie de tuchtinbreuk redelijkerwijze als bewezen en toerekenbaar aan klager kon beschouwen.
Dit deel van de klacht is ongegrond.