TUCHT - KWALIFICATIE - MOTIVERING - HUISHOUDELIJK REGLEMENT
De klacht betreft een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Dendermonde. Hierbij kreeg hij een sanctie van 21 dagen ATV opgelegd.
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor:
- het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties;
- het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen;
- het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel.
De tuchtbeslissing werd onder andere genomen naar aanleiding van 4 RAD’s die ten aanzien van klager werden opgesteld.
Wat betreft de tuchtinbreuk “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”: uit het RAD blijkt dat er sprake was van een geurwaarneming en de visuele waarneming dat klager een sigaret met verdachte geur weggooide en iets probeerde in te slikken. In een RAD van een aantal dagen later wordt uiteindelijk ook melding gemaakt van de vondst van een verdachte bruine substantie op de cel van klager. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting ontkent klager enkel dat deze substantie van hem was en benadrukt hij dat hij geen substanties binnenbrengt. De klachtencommissie is van oordeel dat klager onvoldoende tegenelementen heeft opgeworpen die twijfel deden ontstaan over de waarachtigheid van de RAD’s en de hierin beschreven feiten die als bezit gekwalificeerd kunnen worden. Deze vormden m.a.w. een voldoende basis om klager schuldig te bevinden aan het bezit van verboden substanties. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie de tuchtinbreuk redelijkerwijze als bewezen en toerekenbaar aan klager kon beschouwen.
Wat betreft de tuchtinbreuk “het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel”: een beambte beschrijft in een RAD hoe klager weigerde om te muteren naar een monocel, terwijl hij hier al weken achter vroeg. Hij legt uiteindelijk aan de beambte uit dat hij niet meer wilde omdat al zijn uitgangen hem zijn afgepakt. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting bevestigt hij deze verklaring. Hij kon niet meer gaan werken overdag en wenste niet meer alleen te zitten. De directie verwijst in de motivering van haar beslissing m.b.t. deze inbreuk voornamelijk naar de verklaring van klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting. Hoewel de klachtencommissie meent dat deze motivering vrij summier is, acht ze deze als voldoende. Uit de verklaring blijkt ontegensprekelijk dat klager effectief geweigerd heeft om in te gaan op aanmaningen van het personeel om te muteren naar de monocel. De klachtencommissie is aldus van oordeel dat de directie de tuchtinbreuk redelijkerwijze als bewezen en toerekenbaar aan klager kon beschouwen.
Wat betreft de tuchtinbreuk “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”: klager werd ten slotte nog voor een derde tuchtinbreuk gesanctioneerd, namelijk voor een schending van het huishoudelijk reglement. In de motivering van de beslissing wordt echter niet verder ingegaan op deze tuchtrechtelijke inbreuk. Tijdens de hoorzitting van de klachtencommissie verduidelijkte de directie dat men voor deze tuchtinbreuk verwijst naar de feiten in verband met het opsparen van medicatie. Ze erkent dat hier echter niet expliciet naar werd verwezen in de beslissing. De klachtencommissie benadrukt dat deze motivering mee opgenomen dient te worden in de tuchtbeslissing zelf. Er wordt volgens de klachtencommissie in de beslissing onvoldoende verduidelijkt op welke feiten en op welke bepaling van het huishoudelijk reglement de directie zich baseerde om deze tuchtinbreuk als bewezen te zien.
Ten slotte merkt de klachtencommissie op dat de tuchtbeslissing aanvangt met de vermelding van slechts 2 tuchtrechtelijke inbreuken, namelijk het bezit van wettelijk verboden substanties en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en bevelen van het personeel. De tuchtinbreuk van ‘niet-naleving van het huishoudelijk reglement’ wordt hier niet eens in vermeld. De klachtencommissie acht de beslissing m.b.t. deze inbreuk onwettig wegens de schending van de motiveringsplicht die op de directie rust. Deze tuchtinbreuk wordt niet weerhouden.
Wat betreft de straftoemeting: de opgelegde tuchtsanctie van 21 dagen ATV valt nog steeds binnen het wettelijke maximum voor tuchtinbreuken van eerste categorie. De klachtencommissie acht een tuchtsanctie van 21 dagen ATV bovendien ook niet onredelijk, gelet op het bewezen zijn van twee tuchtinbreuken (van 1ste en 2e categorie) en de maximumsanctie die de directie kon opleggen.
De klacht betreft een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Dendermonde. Hierbij kreeg hij een sanctie van 21 dagen ATV opgelegd.
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor:
- het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties;
- het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen;
- het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel.
De tuchtbeslissing werd onder andere genomen naar aanleiding van 4 RAD’s die ten aanzien van klager werden opgesteld.
Wat betreft de tuchtinbreuk “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”: uit het RAD blijkt dat er sprake was van een geurwaarneming en de visuele waarneming dat klager een sigaret met verdachte geur weggooide en iets probeerde in te slikken. In een RAD van een aantal dagen later wordt uiteindelijk ook melding gemaakt van de vondst van een verdachte bruine substantie op de cel van klager. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting ontkent klager enkel dat deze substantie van hem was en benadrukt hij dat hij geen substanties binnenbrengt. De klachtencommissie is van oordeel dat klager onvoldoende tegenelementen heeft opgeworpen die twijfel deden ontstaan over de waarachtigheid van de RAD’s en de hierin beschreven feiten die als bezit gekwalificeerd kunnen worden. Deze vormden m.a.w. een voldoende basis om klager schuldig te bevinden aan het bezit van verboden substanties. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie de tuchtinbreuk redelijkerwijze als bewezen en toerekenbaar aan klager kon beschouwen.
Wat betreft de tuchtinbreuk “het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel”: een beambte beschrijft in een RAD hoe klager weigerde om te muteren naar een monocel, terwijl hij hier al weken achter vroeg. Hij legt uiteindelijk aan de beambte uit dat hij niet meer wilde omdat al zijn uitgangen hem zijn afgepakt. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting bevestigt hij deze verklaring. Hij kon niet meer gaan werken overdag en wenste niet meer alleen te zitten. De directie verwijst in de motivering van haar beslissing m.b.t. deze inbreuk voornamelijk naar de verklaring van klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting. Hoewel de klachtencommissie meent dat deze motivering vrij summier is, acht ze deze als voldoende. Uit de verklaring blijkt ontegensprekelijk dat klager effectief geweigerd heeft om in te gaan op aanmaningen van het personeel om te muteren naar de monocel. De klachtencommissie is aldus van oordeel dat de directie de tuchtinbreuk redelijkerwijze als bewezen en toerekenbaar aan klager kon beschouwen.
Wat betreft de tuchtinbreuk “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”: klager werd ten slotte nog voor een derde tuchtinbreuk gesanctioneerd, namelijk voor een schending van het huishoudelijk reglement. In de motivering van de beslissing wordt echter niet verder ingegaan op deze tuchtrechtelijke inbreuk. Tijdens de hoorzitting van de klachtencommissie verduidelijkte de directie dat men voor deze tuchtinbreuk verwijst naar de feiten in verband met het opsparen van medicatie. Ze erkent dat hier echter niet expliciet naar werd verwezen in de beslissing. De klachtencommissie benadrukt dat deze motivering mee opgenomen dient te worden in de tuchtbeslissing zelf. Er wordt volgens de klachtencommissie in de beslissing onvoldoende verduidelijkt op welke feiten en op welke bepaling van het huishoudelijk reglement de directie zich baseerde om deze tuchtinbreuk als bewezen te zien.
Ten slotte merkt de klachtencommissie op dat de tuchtbeslissing aanvangt met de vermelding van slechts 2 tuchtrechtelijke inbreuken, namelijk het bezit van wettelijk verboden substanties en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en bevelen van het personeel. De tuchtinbreuk van ‘niet-naleving van het huishoudelijk reglement’ wordt hier niet eens in vermeld. De klachtencommissie acht de beslissing m.b.t. deze inbreuk onwettig wegens de schending van de motiveringsplicht die op de directie rust. Deze tuchtinbreuk wordt niet weerhouden.
Wat betreft de straftoemeting: de opgelegde tuchtsanctie van 21 dagen ATV valt nog steeds binnen het wettelijke maximum voor tuchtinbreuken van eerste categorie. De klachtencommissie acht een tuchtsanctie van 21 dagen ATV bovendien ook niet onredelijk, gelet op het bewezen zijn van twee tuchtinbreuken (van 1ste en 2e categorie) en de maximumsanctie die de directie kon opleggen.