Ga verder naar de inhoud

KC06/25-0161

Gegrond KC - Dendermonde Klachtencommissie Tucht
TUCHT - KWALIFICATIE FEITEN

De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 23 april 2025. Klager bracht ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.

De directie kwalificeerde de feiten van het verbaal agressief zijn en het dichtgooien van de deur terwijl de beambte nog in de deuropening stond als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) én het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De directie verwijst voor deze laatste kwalificatie naar de algemene bepaling van het huishoudelijk reglement (p. 37). De klachtencommissie acht de kwalificatie van de feiten als zijnde de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) correct. De klachtencommissie acht de dubbele kwalificatie van de feiten als zijnde het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet) daarentegen niet correct. De klachtencommissie wijst erop dat de algemene bepaling van het huishoudelijk reglement waarnaar de directie verwijst een loutere overname is van de algemene gedragsvoorschriften van artikel 106, §1 en §2 Basiswet en dat deze bepaling daardoor op zichzelf géén tuchtinbreuk in het leven roept. Het niet respecteren van deze passage kan met andere woorden niet opgevat worden als een overtreding van het huishoudelijk reglement. De klachtencommissie is van oordeel dat de bewoordingen van artikel 130, 2° van de Basiswet, namelijk “het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” strikt geïnterpreteerd dienen te worden en dat deze tuchtinbreuk enkel aan de gedetineerde ten laste kan worden gelegd als de overtreden ‘regel’ een regel betreft die ook daadwerkelijk een schriftelijke neerslag vindt in het huishoudelijk reglement, en dit als zeer specifieke regel, niet louter als overname van algemene gedragsvoorschriften uit de Basiswet. Een al te ruime invulling van de tuchtinbreuk van het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet) zou immers op gespannen voet staan met het beginsel dat een gedetineerde tuchtrechtelijk niet gestraft mag worden voor andere inbreuken dan die welke omschreven worden door de Basiswet (artikel 124, §1 Basiswet). De wetgever heeft het zelf niet nodig gevonden om een inbreuk op artikel 106 als een tuchtinbreuk aan te merken. Anders oordelen zou ook steevast en automatisch leiden tot een samenloop van tuchtinbreuken (artikel 143, §2). Een inbreuk van artikel 130, 3° Basiswet (een bevel niet opvolgen) zou in die optiek bijvoorbeeld automatisch ook een inbreuk van artikel 130, 2° uitmaken (niet-naleven huishoudelijk reglement waarin staat dat men bevelen moet opvolgen). Volgens de klachtencommissie wordt met zulke interpretatie een al te ruime invulling gegeven aan de tuchtinbreuk van artikel 130, 2° Basiswet. In het voorliggend dossier kan de kwalificatie van de feiten als het niet-naleven van het huishoudelijk reglement volgens de klachtencommissie dan ook niet overeind blijven. Deze kwalificatie dient geschrapt te worden.

Klager kreeg een sanctie van 15 dagen ATV voor de samenloop van een inbreuk van de eerste categorie en een inbreuk van de tweede categorie. Na de bovenvermelde schrapping van de inbreuk van de tweede categorie wordt klager enkel gesanctioneerd voor een inbreuk van de eerste categorie. In geval van een inbreuk van de eerste categorie kan er voor een maximumduur van 30 dagen een afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte worden opgelegd (artikel 132, 3° Basiswet). De klachtencommissie acht de opgelegde sanctie van 15 dagen ATV ook na schrapping van één van de inbreuken wettelijk en redelijk. De klacht is gedeeltelijk gegrond.

De klachtencommissie beslist tot de gedeeltelijke vernietiging (artikel 158, §3, 3° Basiswet) van de tuchtbeslissing voor wat betreft de inbreuk van artikel 130, 2° Basiswet en het gedeelte van de motivering dat hierover handelt. De tuchtbeslissing blijft overeind voor wat betreft de inbreuk van artikel 129, 1° Basiswet, de motivering hiervan en de opgelegde en reeds ondergane tuchtsanctie van 15 dagen ATV.