Ga verder naar de inhoud

KC06/25-0184

Ongegrond Gegrond KC - Dendermonde Klachtencommissie Tucht Ordemaatregel
TUCHT - KWALIFICATIE FEITEN - MOTIVERING - ORDEMAATREGEL - CELMUTATIE

De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 11 juni 2025. Hierin wordt beschreven hoe klager dreigde om de boel op stelten te zetten als hij de medische dienst niet snel mocht spreken. Ook dreigde klager ermee de ploegchef lastig te vallen door hem van buitenaf tot wel 50 keer te bellen. Klager trad in discussie met de beambte. Deze discussie was zo hevig dat de ploegchef vanuit zijn bureau kwam kijken wat er gaande was. Ter tuchtzitting betwist klager dat hij bedreigingen heeft geuit, doch stelt wel dat hij geroepen heeft, dit omdat hij zijn eigen dokter wou zien en niet de gevangenisarts.

De klachtencommissie acht de gevoerde tuchtprocedure en de tuchtbeslissing gebrekkig op meerdere punten. Klager kreeg ter tuchtzitting niet de kans om een bepaald verweermiddel uiteen te zetten. De bewering dat een beambte een bepaald RAD onder dwang zou hebben geschreven kan nochtans van belang zijn voor de beoordeling van de waarachtigheid ervan. De klachtencommissie acht de kwalificatie van de feiten als de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 2° Basiswet) op zich correct. De directie diende echter de concrete uitspraken van klager die zij als zodanig beschouwt, te hernemen in de motivering. Bovendien wordt er bij de motivering van deze kwalificatie (die zich beperkt tot het opsommen van regelgeving) verwezen naar het huishoudelijk reglement. Deze verwijzing is niet alleen overbodig is, maar ook potentieel verwarrend. De feiten vormen immers een tuchtinbreuk op basis van artikel 129, 2° Basiswet. Ze vallen niet onder de inbreuk van het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificatie van de feiten als het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet) in elk geval niet correct. De klachtencommissie ziet in het RAD van 11 juni 2025 geen enkele aanwijzing dat klager beledigingen zou hebben geuit. Deze kwalificatie kan dus in elk geval niet weerhouden worden. Gelet op deze tekortkomingen oordeelt de klachtencommissie dat de tuchtbeslissing niet voldoet aan artikel 144, §6, tweede lid j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe.

Klager werd bij ordemaatregel van 13 juni 2025 overgeplaatst van vleugel. De directie achtte zijn verblijf in het open regime niet langer opportuun. De bevoegdheid tot toewijzing van een verblijfsruimte aan de gedetineerde is een discretionaire bevoegdheid van de directeur die niet nader geregeld wordt in de Basiswet. De klachtencommissie kan dan ook enkel overgaan tot het toetsen van de redelijkheid van de beslissing. De mutatie van klager naar een andere vleugel werd ingegeven door observaties van zijn gedrag waaruit blijkt dat hij zich regelmatig ongepast uitlaat tegenover het personeel en zich eisend en dreigend opstelt. Klager stuurt zijn gedrag evenmin bij naar aanleiding van opgelopen tuchtsancties. De directie oordeelt dan ook dat het gedrag van klager niet compatibel is met een verblijf op een open regime waar specifieke richtlijnen gelden en waar wederzijds respect centraal staat. De klachtencommissie stelt vast dat de directie niet handelde met een bestraffende intentie, maar vanuit een beoordeling dat het gedrag van klager niet langer verenigbaar was met het karakter van een open regime. De klachtencommissie acht de beslissing van de directie om klager op basis van bovenstaande redenen naar een andere cel op een andere vleugel te verhuizen, redelijk. De klacht is ongegrond.