Ga verder naar de inhoud

KC06/25-0185

Gegrond KC - Dendermonde Klachtencommissie Andere beslissing directeur Tucht
TUCHT - KWALIFICATIE - MOTIVERING - ORDEMAATREGEL - ARBEID

De klacht is gericht tegen een ordemaatregel tot afzetting van werk en een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Dendermonde.

- Wat betreft de tuchtbeslissing

Klager wordt gesanctioneerd met 30 dagen ATV voor één inbreuk van de eerste categorie, nl. ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’ en twee inbreuken van de tweede categorie, nl. ‘het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen’ en ‘het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel’. Drie RAD waren hiervoor de aanleiding. Het eerste RAD beschrijft de situatie dat er tijdens een celcontrole bij klager korrels verdachte substantie worden aangetroffen. In het tweede RAD beschrijft de beambte hoe klager vreemd gedrag vertoonde en hoe er, naar aanleiding van een naaktfouille, eeen sigaret met een verdachte groene substantie werd aangetroffen bij klager. In het derde rapport beschijft een beambte dat klager de visuele controle onmogelijk maakte door het winket te blokkeren met zijn matras.

Wat betreft de inbreuk ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’, meent de klachtencommissie dat de rapporten duidelijk zijn. De directie kon de feiten, zoals duidelijk en uitdrukkelijk in de RAD beschreven, voor waar en als voldoende aannemen. De klachtencommissie meent dat klager geen geloofwaardige argumenten opwerpt die aan de vaststellingen, die voldoende werden geïndividualiseerd en geobjectiveerd, zouden doen twijfelen. De klachtencommissie acht de tuchtinbreuk dan ook bewezen en meent dat de directie deze redelijkerwijze aan klager kon toerekenen. Ten slotte voldoet de motivering van de tuchtbeslissing aan de vereisten van artikel 8 van de Basiswet.

Wat betreft de inbreuk 'het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen' merkt de klachtencommissie op dat de directie verwijst naar twee bepalingen uit het huishoudelijk reglement, nl. de bepaling over het zich onttrekken aan de visuele controle en de algemene bepaling over de gedragsvoorschriften. Wat betreft de eerste bepaling, verwijst de directie op geen enkele manier naar de feiten en zet niet uiteen waarom zij deze aan klager toerekent (wat ze wel doet voor de tuchtinbreuk van de eerste categorie). Nochtans rust op de directie een motiveringsplicht , waaruit volgt dat ze moet uiteenzetten waarom ze ervan overtuigd is dat een gedetineerde de hem ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Wat betreft de tweede bepaling, merkt de klachtencommissie op dat dit op zichzelf geen tuchtinbreuk in het leven roept. De directie weerhoudt eveneens de inbreuk ‘het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel’, en verwijst hierbij opnieuw louter naar de algemene bepaling uit het huishoudelijk reglement. Ze verwijst hierbij wederom niet naar de feiten die zij in verband brengt met de inbreuk en zet niet uiteen waarom ze deze aan klager kon toerekenen. De klachtencommissie besluit dat de directie op geen enkele manier heeft gemotiveerd waarom zij de tuchtinbreuken van de tweede categorie aan klager kon toerekenen. Aangezien dit in strijd is met de motiveringsplicht, kunnen deze tuchtinbreuken niet weerhouden worden.

De klachtencommissie draagt de directie daarom op om de twee tuchtinbreuken van de tweede categorie (‘het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen’ en ‘het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel’) te schrappen uit de tuchtbeslissing en dit op deze manier aan te passen in het tuchtregister van klager.

De directie kon voor de weerhouden tuchtinbreuk van eerste categorie maximaal 30 dagen ATV opleggen. Klager kreeg 30 dagen ATV wat op de klachtencommissie niet overkomt als een onredelijke tuchtsanctie. De klachtencommissie stelt vast dat de directie met de omvang van de feiten rekening heeft gehouden.

De klachtencommissie verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond, wat betreft de kwalificatie van de feiten als ‘het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen’ en ‘het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel’. Voor het overige blijft de tuchtsanctie overeind.

- Wat betreft de ordemaatregel tot afzetting van werk

Klager heeft op de zitting van de klachtencommissie aangegeven dat hij afstand wenst te doen van zijn klacht over de ordemaatregel tot afzetting van werk. Ingevolge artikel 153, §3 van de Basiswet maakt klachtafstand een einde aan de beklagprocedure.