Ga verder naar de inhoud

KC06/25-0305

Ongegrond KC - Dendermonde Klachtencommissie Andere beslissing directeur
ANDERE BESLISSING DIRECTEUR - OVERBEVOLKING - MEERPERSOONSCEL

De klacht is gericht tegen de beslissing, waarbij klager verbleef in een overbezette cel, waarin totaal vier gedetineerden waren ondergebracht.

Artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) verbiedt onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Deze verbodsbepaling laat geen enkele uitzondering toe, zelfs niet in geval van noodtoestand. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) heeft de invulling van dit artikel verduidelijkt in de context van detentie en meer bepaald, overbevolking in de gevangenissen. Het EHRM stelde dat er een sterk vermoeden is dat de opsluiting strijdig is met het verbod op onmenselijke behandeling, wanneer een gedetineerde beschikt over minder dan 3 m² in een meerpersoonscel. Naar analogie met het Europees Comité ter Preventie van Foltering, stelt het EHRM dat sanitaire voorzieningen niet mogen meegerekend worden in de totale oppervlakte van de cel.

Uit de schriftelijke informatie van de directie blijkt dat de cellen niet voldoen aan de vereiste afmetingen door het EHRM wanneer de gedetineerde in de meerpersoonscel verblijft. Er is in dit geval dus wel degelijk een sterk vermoeden dat de opsluiting van klager in strijd is met het verbod op onmenselijke behandeling.

Het sterk vermoeden kan volgens het EHRM weerlegd worden indien cumulatief aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1. De inperkingen van de vereiste minimale persoonlijke ruimte van 3 m² zijn kort, incidenteel en gering;
2. de inperkingen gaan gepaard met voldoende bewegingsvrijheid en activiteiten buiten de cel; en
3. de gedetineerde is opgesloten in een in het algemeen geschikt bevonden detentie-inrichting en er zijn geen andere verzwarende omstandigheden aan zijn of haar detentie.

Uit het verweer van de directie blijkt dat het sterk vermoeden van een schending van artikel 3 EVRM in dit geval kan worden weerlegd. Vooreerst staat vast dat betrokkene slechts gedurende vier dagen in de betrokken meerpersoonscel verbleef. Deze periode kan als kort en tijdelijk worden beschouwd. Daarnaast hebben gedetineerden dagelijks recht op twee wandelingen, samen goed voor ongeveer 3u30 buiten de cel. Betrokkene verbleef bovendien op de open vleugel, waar drie open momenten per dag worden georganiseerd en de celdeur geopend is, zodat men zich vrij kan bewegen binnen de vleugel. Hierdoor beschikte hij over bijkomende bewegingsvrijheid buiten de cel. Er zijn tot slot geen aanwijzingen van bijkomende verzwarende omstandigheden.

Om deze redenen is de klacht ongegrond.