TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES
De klacht gaat over een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Dendermonde.
Klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 25 dagen ATV, omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan de tuchtrechtelijke inbreuk van de eerste categorie “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”.
De Basiswet stelt dat een gedetineerde enkel schuldig kan worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtinbreuk “wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste feiten bewezen acht én de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig acht.”
Tijdens een celcontrole werd in de badkamer onder de wasbak tussen de muur en de afvoerbuis (cfr. de observatiefiche van 09/11/2025) 17,90 gram bruine verdachte substantie gevonden. Klager heeft benadrukt dat hij van de bruine substantie geen weet heeft. De directie stelt op de tuchtrechtelijke hoorzitting dat ‘als iedereen ontkent gaat iedereen dezelfde sanctie krijgen’. Uit de tuchtbeslissing blijkt dat alle celgenoten de feiten ontkennen. De directie kon dus niet bewijzen van wie de verboden substantie was. De directie benadrukt dat de vier celgenoten gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor wat zich in hun cel bevindt.
De directie kan echter niet staven van wie de verboden substantie was. Dit is in strijd met het vermoeden van onschuld.
De directie heeft op geen enkele manier aangetoond dat het klager was die zich schuldig maakte aan de tuchtinbreuk “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”. De klachtencommissie wenst nog te wijzen op de internationale consensus over het gegeven dat gedetineerden niet verplicht kunnen worden incidenten of tuchtinbreuken te melden waarbij andere gevangenen betrokken zijn. Er anders over oordelen kan leiden tot spanningen, geweld en intimidatie tussen gedetineerden onderling, waarbij in het bijzonder zwakkere gedetineerden riskeren uitgebuit te worden. Omdat er geen bewijs is dat klager de tuchtinbreuk pleegde, is de klacht gegrond.
De klacht gaat over een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Dendermonde.
Klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 25 dagen ATV, omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan de tuchtrechtelijke inbreuk van de eerste categorie “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”.
De Basiswet stelt dat een gedetineerde enkel schuldig kan worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtinbreuk “wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste feiten bewezen acht én de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig acht.”
Tijdens een celcontrole werd in de badkamer onder de wasbak tussen de muur en de afvoerbuis (cfr. de observatiefiche van 09/11/2025) 17,90 gram bruine verdachte substantie gevonden. Klager heeft benadrukt dat hij van de bruine substantie geen weet heeft. De directie stelt op de tuchtrechtelijke hoorzitting dat ‘als iedereen ontkent gaat iedereen dezelfde sanctie krijgen’. Uit de tuchtbeslissing blijkt dat alle celgenoten de feiten ontkennen. De directie kon dus niet bewijzen van wie de verboden substantie was. De directie benadrukt dat de vier celgenoten gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor wat zich in hun cel bevindt.
De directie kan echter niet staven van wie de verboden substantie was. Dit is in strijd met het vermoeden van onschuld.
De directie heeft op geen enkele manier aangetoond dat het klager was die zich schuldig maakte aan de tuchtinbreuk “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”. De klachtencommissie wenst nog te wijzen op de internationale consensus over het gegeven dat gedetineerden niet verplicht kunnen worden incidenten of tuchtinbreuken te melden waarbij andere gevangenen betrokken zijn. Er anders over oordelen kan leiden tot spanningen, geweld en intimidatie tussen gedetineerden onderling, waarbij in het bijzonder zwakkere gedetineerden riskeren uitgebuit te worden. Omdat er geen bewijs is dat klager de tuchtinbreuk pleegde, is de klacht gegrond.