Ga verder naar de inhoud

KC06/26-0044

Gegrond KC - Dendermonde Klachtencommissie Tucht
TUCHT - RELIGIE

De klachtencommissie stelt vast dat klager tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd voor “het aanzetten tot of het voeren van collectieve acties die de veiligheid of de orde in de gevangenis ernstig in gevaar brengen”, een tuchtinbreuk van de eerste categorie. Uit het RAD blijkt dat klager heeft gebeden op de wandeling. De klachtencommissie is van oordeel dat deze feiten niet gekwalificeerd kunnen worden als het aanzetten tot of het voeren van collectieve acties. Nergens uit het RAD blijkt immers dat klager zijn medegedetineerden zou hebben aangezet om mee te bidden of dat klager enige collectieve actie heeft gevoerd. Ook wordt deze kwalificatie niet verder uitgelegd in de motivering van de tuchtbeslissing zelf, maar spreekt de directie enkel over “inbreuken tegen het huishoudelijk reglement en voor het niet opvolgen van bevelen”.

De klachtencommissie is van oordeel dat deze feiten wel gekwalificeerd kunnen worden als het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen. Het RAD is immers duidelijk, twee beambten hebben vastgesteld dat klager aan het bidden was op de wandeling. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting geeft klager dit ook zelf toe. Uit de dossierstukken blijkt bovendien dat dit niet de eerste keer was, en klager hierover reeds twee weken voordien werd aangesproken toen hij aan het bidden was in de keuken.

De Basiswet voorziet dat iedere gedetineerde het recht heeft om zijn godsdienst of zijn levensbeschouwing individueel en in gemeenschap met anderen te beleven en te belijden met inachtneming van de rechten van anderen. In dit dossier stelt de vraag zich of het verbod om te bidden op de wandeling een beperking van dit recht inhoudt. De directie verantwoordt het verbod door te verwijzen naar het risico van incidenten op de wandeling aangezien het openlijk belijden van de godsdienst als aanstootgevend kan worden beschouwd. De klachtencommissie stelt vast dat de vastgestelde bidmomenten niet dwingend zijn. Klager kan op andere momenten bidden. Dit hoeft niet noodzakelijk tijdens de wandeling te gebeuren. Er wordt aan klager geen verbod om te bidden opgelegd. Klager kan immers altijd bidden wanneer hij op cel zit. De klachtencommissie acht het verbod om te bidden op de wandeling redelijk. De zorg om veiligheid primeert hier boven het recht op het belijden van een godsdienst. Bovendien wordt het klager niet helemaal onmogelijk gemaakt om te bidden tijdens de bidmomenten. De godsdienstvrijheid van klager is dus geenszins geschonden.

De klacht is gedeeltelijk gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing van 20/02/2026 in zoverre de feiten gekwalificeerd worden als een tuchtinbreuk eerste categorie, namelijk “het aanzetten tot of het voeren van collectieve acties die de veiligheid of de orde in de gevangenis ernstig in gevaar brengen”. Voor het overige blijft de tuchtbeslissing behouden.