KC06/26-0122
Ongegrond
KC - Dendermonde
Klachtencommissie
Fouille op het lichaam
FOUILLE LICHAAM - BEWIJS
De klachtencommissie is vooreerst van oordeel dat uit de motivering van de fouillering op het lichaam duidelijk blijkt wat de individuele aanwijzingen zijn om te vermoeden dat een gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Op het einde van het tafelbezoek van klager hebben beambten immers geobserveerd dat klager met zijn hand in zijn broekzak ging en vrijwel onmiddellijk zijn hand naar zijn mond bracht. De klachtencommissie is van oordeel dat deze observatie voldoende is als een individuele aanwijzing om te vermoeden dat klager in het bezit zou kunnen zijn van verboden substanties of voorwerpen, zeker gelet op het feit dat dergelijke handelingen in het kader van tafelbezoek binnen de gevangeniscontext in het bijzonder verdacht zijn. De klachtencommissie ziet geen reden waarom de camerabeelden bijkomende hadden moeten worden bekeken. Deze observaties betreffen immers een individuele aanwijzing die doet vermoeden dat een gedetineerde in het bezit is van verboden voorwerpen of substanties en daarom een fouillering op het lichaam rechtvaardigen. Het gaat hier geenszins om het bewijs van een tuchtrechtelijke inbreuk.
De klachtencommissie is daarnaast van oordeel dat de directie voldoende specifiek heeft uitgelegd waarom een onderzoek aan de kledij niet kan volstaan om deze voorwerpen of substanties effectief te vinden. De klachtencommissie benadrukt dat het feit dat tijdens de fouillering op het lichaam van klager uiteindelijk niets werd gevonden, geen afbreuk doet aan de wettigheid van de beslissing tot fouillering zelf.
De klachtencommissie is vooreerst van oordeel dat uit de motivering van de fouillering op het lichaam duidelijk blijkt wat de individuele aanwijzingen zijn om te vermoeden dat een gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Op het einde van het tafelbezoek van klager hebben beambten immers geobserveerd dat klager met zijn hand in zijn broekzak ging en vrijwel onmiddellijk zijn hand naar zijn mond bracht. De klachtencommissie is van oordeel dat deze observatie voldoende is als een individuele aanwijzing om te vermoeden dat klager in het bezit zou kunnen zijn van verboden substanties of voorwerpen, zeker gelet op het feit dat dergelijke handelingen in het kader van tafelbezoek binnen de gevangeniscontext in het bijzonder verdacht zijn. De klachtencommissie ziet geen reden waarom de camerabeelden bijkomende hadden moeten worden bekeken. Deze observaties betreffen immers een individuele aanwijzing die doet vermoeden dat een gedetineerde in het bezit is van verboden voorwerpen of substanties en daarom een fouillering op het lichaam rechtvaardigen. Het gaat hier geenszins om het bewijs van een tuchtrechtelijke inbreuk.
De klachtencommissie is daarnaast van oordeel dat de directie voldoende specifiek heeft uitgelegd waarom een onderzoek aan de kledij niet kan volstaan om deze voorwerpen of substanties effectief te vinden. De klachtencommissie benadrukt dat het feit dat tijdens de fouillering op het lichaam van klager uiteindelijk niets werd gevonden, geen afbreuk doet aan de wettigheid van de beslissing tot fouillering zelf.
Er werd een beroepsdossier met referentie BC/26-0265 opgestart