Ga verder naar de inhoud

KC09/23-0103

Gegrond KC - Gent Klachtencommissie Tucht
TUCHT - BEWIJS - MOTIVERING - VERBODEN SUBSTANTIES - GEÏNTERNEERDE

Tijdens een controle van de verblijfsruimte van klager en zijn celgenoot werden in het toilet een spuit en plastieken resten gevonden. Het RAD bewijst niet dat deze zaken van klager waren. Klager verblijft namelijk op een meerpersoonscel. Zodoende kon de directie zich niet enkel op het RAD baseren om klager schuldig te bevinden aan het bezit van of de handel in verboden voorwerpen of substanties en moest zij verder onderzoek verrichten om na te gaan aan welke bewoner van de cel de gevonden voorwerpen toebehoorden.

Klager verklaarde tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting dat niet hij, maar zijn celgenoot de bezitter en gebruiker van de gevonden spullen was. Klager voerde ook aan dat hij bereid was een urinetest en bloedtest te doen om aan te tonen dat hij drugsvrij is.

Waar de directie in haar schriftelijk verweer stel dat zij “na onderzoek” besloot dat de verklaring van klager weinig geloofwaardig was en dat zij “grondig onderzoek heeft gevoerd naar de vastgestelde feiten”, blijkt uit de motivering van de tuchtbeslissing dat zij zich enkel gebaseerd heeft op het RAD en de verklaringen van klager en zijn advocaat tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting.

Bovendien is het onvoldoende dat de directeur ervan overtuigd is dat een bepaalde gedetineerde bepaalde feiten heeft gepleegd. De directeur dient deze innerlijke overtuiging ook op afdoende wijze ter kennis te brengen van de tuchtrechtelijk vervolgde gedetineerde. De gedetineerde moet in kennis gesteld worden van de beweegredenen waarop de tuchtbeslissing steunt.

Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt niet welk verder onderzoek de directie al dan niet gevoerd heeft. Er wordt ook geen enkel element aangehaald op basis waarvan de directie oordeelde dat de gevonden spuit en plastieken resten aan klager en niet aan zijn celgenoot toebehoorden. Er wordt met andere woorden niet bewezen dat klager zich schuldig maakte aan de tuchtrechtelijke inbreuken.

De tuchtbeslissing is in strijd met het vermoeden van onschuld en de motiveringsplicht. De tuchtbeslissing is daarom alleen al onwettig.

Daarnaast zou de tuchtbeslissing ook niet volstaan hebben indien er wel bewijs bestond dat klager de bezitter en/of gebruiker van verboden substanties was. Om een tuchtsanctie om te leggen volstaat het immers niet dat de ten laste gelegde feiten bewezen zijn. De feiten moeten ook individueel toerekenbaar zijn aan de gedetineerde. Dit aspect vraagt bijzondere aandacht indien de pleger van de inbreuk een geïnterneerde is. De directie motiveert niet op basis waarvan zij klager verantwoordelijk acht voor de gepleegde inbreuk.

Op grond van al het bovenstaande oordeelt de klachtencommissie dat de klacht gegrond is. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing en draagt de directie op de verdere uitvoering van de tuchtbeslissing onmiddellijk stop te zetten.