KC09/23-0148
Ongegrond
KC - Gent
Klachtencommissie
Bijzondere veiligheidsmaatregel
BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - GEÏNTERNEERDE - MOTIVERING - WANDELING - BIJSTAND ADVOCAAT
De klacht is gericht tegen een beslissing tot toepassing van een bijzondere veiligheidsmaatregel(“BVM”) van de directie van de gevangenis.
In voorliggende zaak oordeelde de directie dat er een gevaar voor de orde of veiligheid was. Dit oordeel werd gevormd o.b.v. een ernstig agressie incident in de gevangenis van Antwerpen en verschillende “agressie antecedenten”. Klager betwist niet dat er in Antwerpen een incident is geweest, maar volgens hem ging het eerder om “obsessie” dan om “agressie”. Klager zat bij zijn aankomst eerst nog een sanctie vanuit Antwerpen verder uit in de gevangenis van Gent. De directie acht het gedrag van klager echter nog te onvoorspelbaar. Ze wenst het gedrag van klager daarom nauwgezet op te volgen en te evalueren.
Op basis van deze aanwijzingen kon de directie naar het oordeel van de klachtencommissie wel degelijk besluiten dat er een gevaar voor de orde en veiligheid bestond. De BVM ten aanzien van
klager was dan ook gerechtvaardigd. De beslissing werd gemotiveerd.
Voor de klachtencommissie is bovendien duidelijk dat de directie ten aanzien van klager niet gehandeld heeft met een repressief of bestraffend oogmerk. De BVM werd wel degelijk genomen vanuit veiligheidsoverwegingen, zowel ten aanzien van de personen aanwezig in de gevangenis als ten aanzien van klager zelf.
De Basiswet voorziet niet in de (verplichte of facultatieve) bijstand van een advocaat wanneer een geïnterneerde wordt gehoord in het kader van een bijzondere veiligheidsmaatregel. Dat klager geen bijstand genoot wanneer hij werd gehoord in het kader van het opleggen van een bijzondere veiligheidsmaatregel, maakt de bestreden beslissingen niet onwettig, onredelijk of onbillijk.
De klachtencommissie beveelt de directie wel aan om, in het verslag van het horen van de gedetineerde in het kader van een BVM, de elementen waarvan zij meent dat ze een gevaar vormen voor de orde of de veiligheid, gedetailleerder op te nemen.
Tijdens de uitvoering van een BVM in een beveiligde cel of op de toegewezen verblijfsruimte heeft een gedetineerde het recht om één uur per dag in de buitenlucht te verblijven. Klager stelt zelf dat hij elke dag kon vragen om te wandelen. Op deze vraag werd ook ingegaan, maar soms duurde deze wandeling volgens klager korter dan een uur (15 of 20 minuten). Klager maakt niet duidelijk op welke dag(en) (tijdens de uitvoering van zijn BVM) dit juist gebeurd is. Klager kan niet aantonen dat het recht op wandeling hem effectief ontzegd werd. Om alle bovenstaande redenen is de klachtencommissie van oordeel dat de beslissing tot toepassing van een BVM ten aanzien van klager niet onwettig, onredelijk of onevenredig was.
De klacht is ongegrond.
De klacht is gericht tegen een beslissing tot toepassing van een bijzondere veiligheidsmaatregel(“BVM”) van de directie van de gevangenis.
In voorliggende zaak oordeelde de directie dat er een gevaar voor de orde of veiligheid was. Dit oordeel werd gevormd o.b.v. een ernstig agressie incident in de gevangenis van Antwerpen en verschillende “agressie antecedenten”. Klager betwist niet dat er in Antwerpen een incident is geweest, maar volgens hem ging het eerder om “obsessie” dan om “agressie”. Klager zat bij zijn aankomst eerst nog een sanctie vanuit Antwerpen verder uit in de gevangenis van Gent. De directie acht het gedrag van klager echter nog te onvoorspelbaar. Ze wenst het gedrag van klager daarom nauwgezet op te volgen en te evalueren.
Op basis van deze aanwijzingen kon de directie naar het oordeel van de klachtencommissie wel degelijk besluiten dat er een gevaar voor de orde en veiligheid bestond. De BVM ten aanzien van
klager was dan ook gerechtvaardigd. De beslissing werd gemotiveerd.
Voor de klachtencommissie is bovendien duidelijk dat de directie ten aanzien van klager niet gehandeld heeft met een repressief of bestraffend oogmerk. De BVM werd wel degelijk genomen vanuit veiligheidsoverwegingen, zowel ten aanzien van de personen aanwezig in de gevangenis als ten aanzien van klager zelf.
De Basiswet voorziet niet in de (verplichte of facultatieve) bijstand van een advocaat wanneer een geïnterneerde wordt gehoord in het kader van een bijzondere veiligheidsmaatregel. Dat klager geen bijstand genoot wanneer hij werd gehoord in het kader van het opleggen van een bijzondere veiligheidsmaatregel, maakt de bestreden beslissingen niet onwettig, onredelijk of onbillijk.
De klachtencommissie beveelt de directie wel aan om, in het verslag van het horen van de gedetineerde in het kader van een BVM, de elementen waarvan zij meent dat ze een gevaar vormen voor de orde of de veiligheid, gedetailleerder op te nemen.
Tijdens de uitvoering van een BVM in een beveiligde cel of op de toegewezen verblijfsruimte heeft een gedetineerde het recht om één uur per dag in de buitenlucht te verblijven. Klager stelt zelf dat hij elke dag kon vragen om te wandelen. Op deze vraag werd ook ingegaan, maar soms duurde deze wandeling volgens klager korter dan een uur (15 of 20 minuten). Klager maakt niet duidelijk op welke dag(en) (tijdens de uitvoering van zijn BVM) dit juist gebeurd is. Klager kan niet aantonen dat het recht op wandeling hem effectief ontzegd werd. Om alle bovenstaande redenen is de klachtencommissie van oordeel dat de beslissing tot toepassing van een BVM ten aanzien van klager niet onwettig, onredelijk of onevenredig was.
De klacht is ongegrond.