TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES
Klager werd schuldig bevonden aan een tuchtinbreuk van de eerste categorie, namelijk “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”, alsook aan een tuchtinbreuk van de tweede categorie “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”. De directie is tot deze beslissing gekomen op basis van feiten van die werden beschreven in rapporten aan de directeur (“RAD”) over klager van 26 en 28 november, op basis van hetgeen klager verklaarde tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting van 29 november en op basis van een verklaring van klager ten overstaan van de directeur na afloop van deze tuchtrechtelijke hoorzitting. Naast de beambte die het RAD opstelde, was er een andere beambte getuige van de feiten. Beide beambten handtekenden het RAD.
Wanneer er geen tegenaanwijzingen zijn, kan de directeur zich in principe baseren op rapporten van penitentiair beambten om tuchtfeiten en hun ernst te beoordelen.
Klager kon zich verdedigen over de feiten die hem ten laste werden gelegd tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting. Klager verklaarde tijdens deze hoorzitting dat de “BCA poeder” niet van zijn bezoek kwam maar dat dit al in zijn broek zat voor hij naar het bezoek ging. Hij gaf toe dat de M&M’s en Malthesers wel van het bezoek kwamen. Op vraag van de directie waarom klager het poeder mee had genomen naar het bezoek, antwoordde klager dat hij dit had gekregen op de wandeling en het andere in het lokaal net voor het bezoek. Hij had dit dan verstopt in zijn slip. Op vraag van de directie of klager wist dat dit niet mocht, antwoordt klager bevestigend. De directeur kon op basis van deze bekentenis de tuchtinbreuk “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” als bewezen beschouwen.
Met betrekking tot de cocaïne die op zijn cel werd gevonden verklaarde klager tijdens de hoorzitting dat hij hier niets van wist en vermeldde hij dat de cel veel openstond.
In het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting staat evenwel genoteerd dat klager achteraf tegen de directeur zei dat de cocaïne wel van hem was. Ook in het verweer van de directie staat dat klager op diens vraag nog apart een gesprek had met de directeur en aangaf dat de cocaïne toch van hem was. Klager maakt niet aannemelijk dat dit niet zou kloppen. Waar klager betwist welke woorden hij juist tegen de directeur gezegd heeft, stelt de directeur dat verschillende keren gevraagd werd of klager wel zeker was van zijn verklaring.
De directeur kon op basis hiervan ook de tuchtinbreuk “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties” als bewezen beschouwen.
De tuchtbeslissing is niet onwettig. Klager kreeg de maximum ATV-sanctie voor een inbreuk van de eerste categorie, doch gelet op de ernst van de inbreuk (de effectieve vondst van cocaïne) en de combinatie met de andere tuchtinbreuk, valt dit binnen de grenzen van de redelijkheid. De klacht is ongegrond.
Klager werd schuldig bevonden aan een tuchtinbreuk van de eerste categorie, namelijk “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”, alsook aan een tuchtinbreuk van de tweede categorie “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”. De directie is tot deze beslissing gekomen op basis van feiten van die werden beschreven in rapporten aan de directeur (“RAD”) over klager van 26 en 28 november, op basis van hetgeen klager verklaarde tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting van 29 november en op basis van een verklaring van klager ten overstaan van de directeur na afloop van deze tuchtrechtelijke hoorzitting. Naast de beambte die het RAD opstelde, was er een andere beambte getuige van de feiten. Beide beambten handtekenden het RAD.
Wanneer er geen tegenaanwijzingen zijn, kan de directeur zich in principe baseren op rapporten van penitentiair beambten om tuchtfeiten en hun ernst te beoordelen.
Klager kon zich verdedigen over de feiten die hem ten laste werden gelegd tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting. Klager verklaarde tijdens deze hoorzitting dat de “BCA poeder” niet van zijn bezoek kwam maar dat dit al in zijn broek zat voor hij naar het bezoek ging. Hij gaf toe dat de M&M’s en Malthesers wel van het bezoek kwamen. Op vraag van de directie waarom klager het poeder mee had genomen naar het bezoek, antwoordde klager dat hij dit had gekregen op de wandeling en het andere in het lokaal net voor het bezoek. Hij had dit dan verstopt in zijn slip. Op vraag van de directie of klager wist dat dit niet mocht, antwoordt klager bevestigend. De directeur kon op basis van deze bekentenis de tuchtinbreuk “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” als bewezen beschouwen.
Met betrekking tot de cocaïne die op zijn cel werd gevonden verklaarde klager tijdens de hoorzitting dat hij hier niets van wist en vermeldde hij dat de cel veel openstond.
In het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting staat evenwel genoteerd dat klager achteraf tegen de directeur zei dat de cocaïne wel van hem was. Ook in het verweer van de directie staat dat klager op diens vraag nog apart een gesprek had met de directeur en aangaf dat de cocaïne toch van hem was. Klager maakt niet aannemelijk dat dit niet zou kloppen. Waar klager betwist welke woorden hij juist tegen de directeur gezegd heeft, stelt de directeur dat verschillende keren gevraagd werd of klager wel zeker was van zijn verklaring.
De directeur kon op basis hiervan ook de tuchtinbreuk “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties” als bewezen beschouwen.
De tuchtbeslissing is niet onwettig. Klager kreeg de maximum ATV-sanctie voor een inbreuk van de eerste categorie, doch gelet op de ernst van de inbreuk (de effectieve vondst van cocaïne) en de combinatie met de andere tuchtinbreuk, valt dit binnen de grenzen van de redelijkheid. De klacht is ongegrond.