KC09/24-0131
Gegrond
Onontvankelijk
KC - Gent
Klachtencommissie
Bijzondere veiligheidsmaatregel
Geen beslissing directeur
GEÏNTERNEERDE - BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - KLACHTENPROCEDURE - DWANG - FOUILLE OP HET LICHAAM - BEVEILIGDE CEL - MOTIVERING
De klachten gaan over een bijzondere veiligheidsmaatregel (“BVM”) van 4 maart 2024 (“BVM 1”), over de tweede verlenging hiervan (“BVM 3”) en over de derde verlenging hiervan (“BVM 4”). Daarnaast beklaagt klager zich ook (opnieuw) over een situatie met een interventieteam op 3 maart 2024.
De klacht over de eerste BVM van 4 maart 2024 (“BVM 1”) en over de situatie met hetinterventieteam op 3 maart 2024, is niet-ontvankelijk:
Klager diende over exact hetzelfde onderwerp reeds een klacht in bij de klachtencommissie, gekend onder het dossier met referte KC09/24-0074.
De klachtencommissie verwijst naar haar beslissing van 12 september 2024, waarbij zij de klacht van klager ontvankelijk en gegrond verklaarde en waarbij zij de volgende beslissingen van de directie vernietigde: de bijzondere veiligheidsmaatregel van 4 maart 2024 en de daarbij horende fouillering op het lichaam en plaatsing van klager in een beveiligde cel door een interventieteam, met dwang. De klachtencommissie heeft zich met andere woorden reeds ten gronde uitgesproken over het
voorwerp van de klacht en kan dit niet opnieuw doen. Onderhavige klacht, die een identiek voorwerp heeft als de reeds behandelde klacht, is daarom niet-ontvankelijk.
De klachten over de tweede verlenging van de bijzondere veiligheidsmaatregel (“BVM 3”) en over de derde verlenging van de bijzondere veiligheidsmaatregel (“BVM 4”) zijn ontvankelijk en gegrond:
De klachten gaan over beslissingen van de directeur die ten aanzien van klager werd genomen. Volgens de directie zijn de klachten niet-ontvankelijk omdat ze laattijdig werd ingediend. De klachtencommissie kan niet nagaan wanneer klager effectief en volledig kennis heeft kunnen nemen van de beslissing. Deze twijfel wordt in het voordeel van klager uitgelegd. De klacht is dan ook ontvankelijk.
In tegenstelling tot hetgeen klager stelt, kan de directie wel degelijk (maximum) 4 beslissingen na elkaar nemen waarbij zij een bijzondere veiligheidsmaatregel oplegt. De directie kan immers een bijzondere veiligheidsmaatregel nemen en deze daarna nog maximaal 3 keer verlengen. De eerste BVM van 4 maart liep van 3-9 maart 2024. Uit het verslag van het horen van de gedetineerde bleek dat het hier ging over agressie ten aanzien van een beambte, meer bepaald dat klager tijdens de etensbedeling boos werd omdat verschillende zaken niet opgeschept werden zoals hij het wou en vroeg. Hij gooide toen met eten en maakte een dreigende beweging met zijn bord naar een beambte (zie verslag horen gedetineerde 4 maart 2024). De klachtencommissie vernietigde deze eerste BVM (KC09/24-0074) omdat de directie in de beslissing zelf de motivering niet had vermeld.
Tegen de tweede BVM van 7 maart (die liep van 9-15 maart) dient klager geen klacht in.
In de derde BVM van 14 maart 2024 (die liep van 17 – 24 maart) wordt opnieuw (enkel) verwezen naar het incident met de etensbedeling. Er is geen motivering waarom er opnieuw een BVM werd genomen.
In de vierde BVM van 22 maart 2024 (die liep van 24-30 maart) wordt opnieuw verwezen naar het incident met de etensbedeling. Daarnaast wordt verwezen naar het gegeven dat klager “over het algemeen rustig is, maar onvoorspelbaar uit de hoek kan komen”. De vorige periode onder BVM (17-24 maart) komt in de motivatie niet aan bod. Het eerdere verblijf onder een veiligheidsmaatregel wordt met andere woorden niet geëvalueerd.
De klachtencommissie wil geloven dat er elementen bestonden op basis waarvan de directie vreesde dat er nog steeds een risico voor de orde of de veiligheid was. In de motivering van de bestreden verlengingen (“BVM 3” en “BVM 4”) wordt echter niets vermeld over het verloop van de vorige BVM’s. De klachtencommissie vindt in de motiveringen dan ook geen enkel element terug waaruit kan afgeleid worden dat klager tijdens het verloop van de vorige BVM gedrag stelde waardoor er nog steeds sprake was van een gevaar voor de orde of veiligheid. De beslissingen tot toepassing van BVM’s van 14 en 22 maart 2024 zijn dan ook in strijd met de motiveringsplicht en voldoen niet aan de voorwaarden zoals opgenomen in art. 110 van de Basiswet en de Collectieve brief nr. 156 van 14 augustus 2020. De klachten zijn dan ook gegrond.
De klachten gaan over een bijzondere veiligheidsmaatregel (“BVM”) van 4 maart 2024 (“BVM 1”), over de tweede verlenging hiervan (“BVM 3”) en over de derde verlenging hiervan (“BVM 4”). Daarnaast beklaagt klager zich ook (opnieuw) over een situatie met een interventieteam op 3 maart 2024.
De klacht over de eerste BVM van 4 maart 2024 (“BVM 1”) en over de situatie met hetinterventieteam op 3 maart 2024, is niet-ontvankelijk:
Klager diende over exact hetzelfde onderwerp reeds een klacht in bij de klachtencommissie, gekend onder het dossier met referte KC09/24-0074.
De klachtencommissie verwijst naar haar beslissing van 12 september 2024, waarbij zij de klacht van klager ontvankelijk en gegrond verklaarde en waarbij zij de volgende beslissingen van de directie vernietigde: de bijzondere veiligheidsmaatregel van 4 maart 2024 en de daarbij horende fouillering op het lichaam en plaatsing van klager in een beveiligde cel door een interventieteam, met dwang. De klachtencommissie heeft zich met andere woorden reeds ten gronde uitgesproken over het
voorwerp van de klacht en kan dit niet opnieuw doen. Onderhavige klacht, die een identiek voorwerp heeft als de reeds behandelde klacht, is daarom niet-ontvankelijk.
De klachten over de tweede verlenging van de bijzondere veiligheidsmaatregel (“BVM 3”) en over de derde verlenging van de bijzondere veiligheidsmaatregel (“BVM 4”) zijn ontvankelijk en gegrond:
De klachten gaan over beslissingen van de directeur die ten aanzien van klager werd genomen. Volgens de directie zijn de klachten niet-ontvankelijk omdat ze laattijdig werd ingediend. De klachtencommissie kan niet nagaan wanneer klager effectief en volledig kennis heeft kunnen nemen van de beslissing. Deze twijfel wordt in het voordeel van klager uitgelegd. De klacht is dan ook ontvankelijk.
In tegenstelling tot hetgeen klager stelt, kan de directie wel degelijk (maximum) 4 beslissingen na elkaar nemen waarbij zij een bijzondere veiligheidsmaatregel oplegt. De directie kan immers een bijzondere veiligheidsmaatregel nemen en deze daarna nog maximaal 3 keer verlengen. De eerste BVM van 4 maart liep van 3-9 maart 2024. Uit het verslag van het horen van de gedetineerde bleek dat het hier ging over agressie ten aanzien van een beambte, meer bepaald dat klager tijdens de etensbedeling boos werd omdat verschillende zaken niet opgeschept werden zoals hij het wou en vroeg. Hij gooide toen met eten en maakte een dreigende beweging met zijn bord naar een beambte (zie verslag horen gedetineerde 4 maart 2024). De klachtencommissie vernietigde deze eerste BVM (KC09/24-0074) omdat de directie in de beslissing zelf de motivering niet had vermeld.
Tegen de tweede BVM van 7 maart (die liep van 9-15 maart) dient klager geen klacht in.
In de derde BVM van 14 maart 2024 (die liep van 17 – 24 maart) wordt opnieuw (enkel) verwezen naar het incident met de etensbedeling. Er is geen motivering waarom er opnieuw een BVM werd genomen.
In de vierde BVM van 22 maart 2024 (die liep van 24-30 maart) wordt opnieuw verwezen naar het incident met de etensbedeling. Daarnaast wordt verwezen naar het gegeven dat klager “over het algemeen rustig is, maar onvoorspelbaar uit de hoek kan komen”. De vorige periode onder BVM (17-24 maart) komt in de motivatie niet aan bod. Het eerdere verblijf onder een veiligheidsmaatregel wordt met andere woorden niet geëvalueerd.
De klachtencommissie wil geloven dat er elementen bestonden op basis waarvan de directie vreesde dat er nog steeds een risico voor de orde of de veiligheid was. In de motivering van de bestreden verlengingen (“BVM 3” en “BVM 4”) wordt echter niets vermeld over het verloop van de vorige BVM’s. De klachtencommissie vindt in de motiveringen dan ook geen enkel element terug waaruit kan afgeleid worden dat klager tijdens het verloop van de vorige BVM gedrag stelde waardoor er nog steeds sprake was van een gevaar voor de orde of veiligheid. De beslissingen tot toepassing van BVM’s van 14 en 22 maart 2024 zijn dan ook in strijd met de motiveringsplicht en voldoen niet aan de voorwaarden zoals opgenomen in art. 110 van de Basiswet en de Collectieve brief nr. 156 van 14 augustus 2020. De klachten zijn dan ook gegrond.
Er werd een beroepsdossier met referentie BC/25-0097 opgestart