VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT
De klacht gaat over de voorlopige maatregel van 17 juni 2025 en de tuchtbeslissing van 19 juni 2025 van de directie van de gevangenis van Gent.
_ De voorlopige maatregel
In voorliggende zaak besloot de directie een voorlopige maatregel op te leggen omdat klager tijdens de fouillering op het lichaam – wat, gelet op de waarnemingen van de beambten, de enige manier was waarop kon worden vastgesteld wat klager op zijn lichaam verborg - een verboden substantie inslikte. Zij oordeelde dat dit een gezondheidsrisico kan inhouden, waardoor klager in de beveiligde cel werd geplaatst ter observatie van zijn toestand.
De klachtencommissie is van oordeel dat de directie op basis van deze vaststellingen terecht kon besluiten dat de interne veiligheid werd aangetast en dat de veiligheidsmaatregel, in afwachting van de verdere tuchtprocedure, gerechtvaardigd was. De directie wist inderdaad (nog) niet wat de ingeslikte substantie was en wat de eventuele gevolgen ervan gingen zijn op het gedrag van klager.
De beslissing is niet onwettig, onredelijk of onbillijk. De klacht is ongegrond.
- De tuchtbeslissing
Het dossier bevat twee RAD. Het eerste RAD beschrijft hoe tijdens het toezicht op de wandeling werd vastgesteld dat klager een wit bolletje in zijn kous stak. Dit was de aanleiding voor de uitvoering van de fouillering op het lichaam. Het tweede RAD stelt dat klager tijdens deze fouillering op het lichaam het witte bolletje uit zijn kous in zijn mond stak. Hij werd hierop bij wijze van voorlopige maatregel in de veiligheidscel geplaatst (zie supra).
Naar aanleiding van deze feiten werd klager gesanctioneerd met een tuchtsanctie van 30 dagen ATV voor de tuchtinbreuk ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’ .
Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting geeft klager toe dat het ging om verboden substanties. Op basis hiervan en van de twee rapporten, zijn de feiten bewezen. De directie heeft dit ook afdoende gemotiveerd in haar tuchtbeslissing.
Klager stelt in zijn klacht voornamelijk dat hij vindt dat hij te zwaar gestraft werd in vergelijking met medegedetineerden die gelijkaardige feiten hebben gepleegd. De klachtencommissie spreekt zich echter enkel uit over dit dossier en kan niet beoordelen welke redenen ten grondslag lagen aan de sancties in andere tuchtbeslissingen.
De sanctie van 30 dagen ATV is wettig. De sanctie is volgens de klachtencommissie ook niet onredelijk of onbillijk, gelet op de ernst van de feiten.
De klacht is ongegrond.
De klacht gaat over de voorlopige maatregel van 17 juni 2025 en de tuchtbeslissing van 19 juni 2025 van de directie van de gevangenis van Gent.
_ De voorlopige maatregel
In voorliggende zaak besloot de directie een voorlopige maatregel op te leggen omdat klager tijdens de fouillering op het lichaam – wat, gelet op de waarnemingen van de beambten, de enige manier was waarop kon worden vastgesteld wat klager op zijn lichaam verborg - een verboden substantie inslikte. Zij oordeelde dat dit een gezondheidsrisico kan inhouden, waardoor klager in de beveiligde cel werd geplaatst ter observatie van zijn toestand.
De klachtencommissie is van oordeel dat de directie op basis van deze vaststellingen terecht kon besluiten dat de interne veiligheid werd aangetast en dat de veiligheidsmaatregel, in afwachting van de verdere tuchtprocedure, gerechtvaardigd was. De directie wist inderdaad (nog) niet wat de ingeslikte substantie was en wat de eventuele gevolgen ervan gingen zijn op het gedrag van klager.
De beslissing is niet onwettig, onredelijk of onbillijk. De klacht is ongegrond.
- De tuchtbeslissing
Het dossier bevat twee RAD. Het eerste RAD beschrijft hoe tijdens het toezicht op de wandeling werd vastgesteld dat klager een wit bolletje in zijn kous stak. Dit was de aanleiding voor de uitvoering van de fouillering op het lichaam. Het tweede RAD stelt dat klager tijdens deze fouillering op het lichaam het witte bolletje uit zijn kous in zijn mond stak. Hij werd hierop bij wijze van voorlopige maatregel in de veiligheidscel geplaatst (zie supra).
Naar aanleiding van deze feiten werd klager gesanctioneerd met een tuchtsanctie van 30 dagen ATV voor de tuchtinbreuk ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’ .
Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting geeft klager toe dat het ging om verboden substanties. Op basis hiervan en van de twee rapporten, zijn de feiten bewezen. De directie heeft dit ook afdoende gemotiveerd in haar tuchtbeslissing.
Klager stelt in zijn klacht voornamelijk dat hij vindt dat hij te zwaar gestraft werd in vergelijking met medegedetineerden die gelijkaardige feiten hebben gepleegd. De klachtencommissie spreekt zich echter enkel uit over dit dossier en kan niet beoordelen welke redenen ten grondslag lagen aan de sancties in andere tuchtbeslissingen.
De sanctie van 30 dagen ATV is wettig. De sanctie is volgens de klachtencommissie ook niet onredelijk of onbillijk, gelet op de ernst van de feiten.
De klacht is ongegrond.