FOUILLE LICHAAM - TUCHT - MOTIVERING
De klacht is drieledig en is gericht tegen twee beslissingen tot fouillering op het lichaam en een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Gent.
- Wat betreft de eerste fouillering op het lichaam:
Uit het dossier blijkt dat klager op 3 juli tweemaal werd onderworpen aan een fouillering op het lichaam. Uit het RAD en de motivering van de voorlopige maatregel, bleek klager verdachte handelingen te hebben gesteld tijdens de wandeling.
Uit de dossierstukken blijkt dat er geen schriftelijke beslissing werd genomen tot de eerste fouillering op het lichaam van klager. De enige beslissing die voorhanden is, is deze die werd genomen naar aanleiding van de plaatsing van de klager in de veiligheidscel bij wijze van voorlopige maatregel (zie verder). Dit wordt ook via e-mail bevestigd door een personeelslid van de gevangenis.
Vóór de fouillering naar aanleiding van de plaatsing in de veiligheidscel, waarvoor een schriftelijke beslissing bestaat, blijkt er een eerste fouillering op het lichaam van klager te hebben plaatsgevonden, met name deze waarbij hij een verdachte substantie heeft ingeslikt (de feiten die werden neergeschreven in het RAD). Dat deze fouillering effectief heeft plaatsgevonden, wordt niet betwist.
In voorliggende zaak ontbreekt dus een schriftelijke neerslag van de individuele beslissing tot fouillering op het lichaam. De klachtencommissie kan hierdoor niet nagaan of de beslissing tot fouillering op het lichaam door de directeur genomen werd, noch wat de motieven waren, noch of deze beslissing aan klager werd betekend. Indien de directie aanwijzingen had dat klager in het bezit was van verboden substanties, had zij deze moeten vermelden in een schriftelijk beslissing. De directie verwijst ook niet naar veiligheidsredenen waarom de individuele aanwijzingen niet zouden kunnen worden gepreciseerd, zodat er op dat vlak geen uitzondering op de motiveringsplicht van artikel 8 van de Basiswet geldt.
Hierdoor is de eerste beslissing tot fouillering op het lichaam onwettig en is de klacht gegrond.
- Wat betreft de tweede fouillering op het lichaam:
De klachtencommissie oordeelde al verschillende keren dat de plaatsing in een beveiligde cel of strafcel geen fouillering op het lichaam rechtvaardigt, indien er geen individuele aanwijzingen zijn waaruit kan vermoed worden dat de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Zoals het Grondwettelijk Hof bepaalde in 2014 is het onwettig om stelselmatig een fouillering op het lichaam op te leggen bij een plaatsing in een beveiligde cel of strafcel, zonder dat het gedrag van de gedetineerde daartoe aanleiding geeft. In voorliggend geval, vermeldt de directeur in haar motivering niet welke deze individuele aanwijzingen zijn. De directie motiveert evenmin waarom een onderzoek aan de kledij niet had volstaan en waarom een fouillering op het lichaam noodzakelijk was.
Hierdoor is de tweede beslissing tot fouillering op het lichaam onwettig en is de klacht gegrond.
- Wat betreft de tuchtbeslissing:
Uit het RAD van 3 juli 2025 blijkt dat klager tijdens een fouillering aan het lichaam een vreemde substantie doorslikte
Klager werd op 5 juli gehoord op de tuchtrechtelijke hoorzitting en verklaarde een joint te hebben ingeslikt. De directie besloot dezelfde dag om klager te sanctioneren met 30 dagen ATV.
De klachtencommissie stelt vast dat de tuchtbeslissing gebaseerd is op de vaststellingen die werden neergeschreven in het RAD van 3 juli 2025 en op de verklaring van klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting.
De bewuste vreemde substantie, waarvoor klager wordt gesanctioneerd, werd gevonden tijdens de eerste fouillering op het lichaam die door de klachtencommissie onwettig werd bevonden.
De tuchtbeslissing kan niet overeind blijven indien ze (enkel) gebaseerd is op vondsten tijdens een onwettige fouille op het lichaam, zonder dat er daarnaast ander (rechtmatig verkregen) elementen zijn op basis waarvan de beslissing kon worden genomen. Aangezien het bewijsmateriaal waarop de tuchtbeslissing gebaseerd is, rechtstreeks volgt uit de onwettige fouillering op het lichaam, is de tuchtbeslissing van 5 juli 2025 onwettig.
De klacht is gegrond. De (lopende) tuchtsanctie wordt onmiddelijk stopgezet.
Aangezien de vernietiging van de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de uitvoering van de tuchtsanctie onmiddellijk wordt stopgezet, en de duur van de tuchtsanctie op die manier wordt ingekort, kent de klachtencommissie verder geen tegemoetkoming toe.
De klacht is drieledig en is gericht tegen twee beslissingen tot fouillering op het lichaam en een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Gent.
- Wat betreft de eerste fouillering op het lichaam:
Uit het dossier blijkt dat klager op 3 juli tweemaal werd onderworpen aan een fouillering op het lichaam. Uit het RAD en de motivering van de voorlopige maatregel, bleek klager verdachte handelingen te hebben gesteld tijdens de wandeling.
Uit de dossierstukken blijkt dat er geen schriftelijke beslissing werd genomen tot de eerste fouillering op het lichaam van klager. De enige beslissing die voorhanden is, is deze die werd genomen naar aanleiding van de plaatsing van de klager in de veiligheidscel bij wijze van voorlopige maatregel (zie verder). Dit wordt ook via e-mail bevestigd door een personeelslid van de gevangenis.
Vóór de fouillering naar aanleiding van de plaatsing in de veiligheidscel, waarvoor een schriftelijke beslissing bestaat, blijkt er een eerste fouillering op het lichaam van klager te hebben plaatsgevonden, met name deze waarbij hij een verdachte substantie heeft ingeslikt (de feiten die werden neergeschreven in het RAD). Dat deze fouillering effectief heeft plaatsgevonden, wordt niet betwist.
In voorliggende zaak ontbreekt dus een schriftelijke neerslag van de individuele beslissing tot fouillering op het lichaam. De klachtencommissie kan hierdoor niet nagaan of de beslissing tot fouillering op het lichaam door de directeur genomen werd, noch wat de motieven waren, noch of deze beslissing aan klager werd betekend. Indien de directie aanwijzingen had dat klager in het bezit was van verboden substanties, had zij deze moeten vermelden in een schriftelijk beslissing. De directie verwijst ook niet naar veiligheidsredenen waarom de individuele aanwijzingen niet zouden kunnen worden gepreciseerd, zodat er op dat vlak geen uitzondering op de motiveringsplicht van artikel 8 van de Basiswet geldt.
Hierdoor is de eerste beslissing tot fouillering op het lichaam onwettig en is de klacht gegrond.
- Wat betreft de tweede fouillering op het lichaam:
De klachtencommissie oordeelde al verschillende keren dat de plaatsing in een beveiligde cel of strafcel geen fouillering op het lichaam rechtvaardigt, indien er geen individuele aanwijzingen zijn waaruit kan vermoed worden dat de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Zoals het Grondwettelijk Hof bepaalde in 2014 is het onwettig om stelselmatig een fouillering op het lichaam op te leggen bij een plaatsing in een beveiligde cel of strafcel, zonder dat het gedrag van de gedetineerde daartoe aanleiding geeft. In voorliggend geval, vermeldt de directeur in haar motivering niet welke deze individuele aanwijzingen zijn. De directie motiveert evenmin waarom een onderzoek aan de kledij niet had volstaan en waarom een fouillering op het lichaam noodzakelijk was.
Hierdoor is de tweede beslissing tot fouillering op het lichaam onwettig en is de klacht gegrond.
- Wat betreft de tuchtbeslissing:
Uit het RAD van 3 juli 2025 blijkt dat klager tijdens een fouillering aan het lichaam een vreemde substantie doorslikte
Klager werd op 5 juli gehoord op de tuchtrechtelijke hoorzitting en verklaarde een joint te hebben ingeslikt. De directie besloot dezelfde dag om klager te sanctioneren met 30 dagen ATV.
De klachtencommissie stelt vast dat de tuchtbeslissing gebaseerd is op de vaststellingen die werden neergeschreven in het RAD van 3 juli 2025 en op de verklaring van klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting.
De bewuste vreemde substantie, waarvoor klager wordt gesanctioneerd, werd gevonden tijdens de eerste fouillering op het lichaam die door de klachtencommissie onwettig werd bevonden.
De tuchtbeslissing kan niet overeind blijven indien ze (enkel) gebaseerd is op vondsten tijdens een onwettige fouille op het lichaam, zonder dat er daarnaast ander (rechtmatig verkregen) elementen zijn op basis waarvan de beslissing kon worden genomen. Aangezien het bewijsmateriaal waarop de tuchtbeslissing gebaseerd is, rechtstreeks volgt uit de onwettige fouillering op het lichaam, is de tuchtbeslissing van 5 juli 2025 onwettig.
De klacht is gegrond. De (lopende) tuchtsanctie wordt onmiddelijk stopgezet.
Aangezien de vernietiging van de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de uitvoering van de tuchtsanctie onmiddellijk wordt stopgezet, en de duur van de tuchtsanctie op die manier wordt ingekort, kent de klachtencommissie verder geen tegemoetkoming toe.