KC09/25-0453
Ongegrond
KC - Gent
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
ORDEMAATREGEL - ARBEID - ONTSLAG
De klacht gaat over een ordemaatregel tot afzetting van werk van de directie van de gevangenis van Gent.
Het RAD beschrijft hoe klager een sigaret op tafel legde. De beambte sprak klager hierover aan; volgens het RAD begreep klager heel goed dat er in de werkhuizen een algemeen rookverbod is. De beambte stelt dat het voor hem zeer aanstootgevend is dat betrokkene een sigaret op zak heeft zitten, en deze dan nog open en bloot op tafel legt. De beambte heeft betrokkene vervolgens op cel gestoken.
Naar aanleiding van deze feiten werd klager ontslagen. De ordemaatregel tot afzetting van werk luidt als volgt: “Wegens het in bezit zijn van sigaretten en er een algemeen rookverbod is in de werkhuizen, is dit vooral ook aanstootgevend naar anderen toe. Bijgevolg kunnen we U niet langer tewerk stellen in het werkhuis en wordt u afgezet met directe ingang.”
Het huishoudelijk reglement van de gevangenis van Gent bepaalt dat het toegelaten is om in de verblijfsruimte te beschikken over de in de kantine aangekochte verbruiksgoederen. Tabak en sigaretten vallen onder deze categorie. Voorts bepaalt het huishoudelijk reglement dat de gedetineerde enkel één fles drank in een doorzichtige plastieken fles mag meebrengen naar de arbeidspost. Ten slotte geldt er volgens het huishoudelijk reglement een algemeen rookverbod in de gevangenis en is het enkel toegestaan om te roken in de toegewezen verblijfsruimte en op de wandeling.
De klachtencommissie meent dat uit de samenlezing van deze bepalingen van het huishoudelijk reglement volgt dat klager op de werkvloer niet in het bezit mocht zijn van een sigaret. De klachtencommissie vindt het niet onredelijk dat de directie hierdoor de inschatting heeft gemaakt dat klager niet geschikt is voor de arbeidspost.
De ordemaatregel waarbij klager wordt afgezet van werk is niet onwettig, noch onredelijk of onbillijk.
De klacht is ongegrond.
De klacht gaat over een ordemaatregel tot afzetting van werk van de directie van de gevangenis van Gent.
Het RAD beschrijft hoe klager een sigaret op tafel legde. De beambte sprak klager hierover aan; volgens het RAD begreep klager heel goed dat er in de werkhuizen een algemeen rookverbod is. De beambte stelt dat het voor hem zeer aanstootgevend is dat betrokkene een sigaret op zak heeft zitten, en deze dan nog open en bloot op tafel legt. De beambte heeft betrokkene vervolgens op cel gestoken.
Naar aanleiding van deze feiten werd klager ontslagen. De ordemaatregel tot afzetting van werk luidt als volgt: “Wegens het in bezit zijn van sigaretten en er een algemeen rookverbod is in de werkhuizen, is dit vooral ook aanstootgevend naar anderen toe. Bijgevolg kunnen we U niet langer tewerk stellen in het werkhuis en wordt u afgezet met directe ingang.”
Het huishoudelijk reglement van de gevangenis van Gent bepaalt dat het toegelaten is om in de verblijfsruimte te beschikken over de in de kantine aangekochte verbruiksgoederen. Tabak en sigaretten vallen onder deze categorie. Voorts bepaalt het huishoudelijk reglement dat de gedetineerde enkel één fles drank in een doorzichtige plastieken fles mag meebrengen naar de arbeidspost. Ten slotte geldt er volgens het huishoudelijk reglement een algemeen rookverbod in de gevangenis en is het enkel toegestaan om te roken in de toegewezen verblijfsruimte en op de wandeling.
De klachtencommissie meent dat uit de samenlezing van deze bepalingen van het huishoudelijk reglement volgt dat klager op de werkvloer niet in het bezit mocht zijn van een sigaret. De klachtencommissie vindt het niet onredelijk dat de directie hierdoor de inschatting heeft gemaakt dat klager niet geschikt is voor de arbeidspost.
De ordemaatregel waarbij klager wordt afgezet van werk is niet onwettig, noch onredelijk of onbillijk.
De klacht is ongegrond.