KC09/25-0464
Gegrond
KC - Gent
Klachtencommissie
Voorlopige maatregel
Tucht
Fouille op het lichaam
FOUILLE LICHAAM - VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - MOTIVERING - TOEREKENBAARHEID - GEINTERNEERDE
De klacht gaat over verschillende beslissingen van de directie van de gevangenis van Gent:
1) een fouillering op het lichaam en de uitvoering daarvan,
2) een voorlopige maatregel,
3) een tuchtbeslissing.
- De fouillering op het lichaam
Uit artikel 8, § 1, lid 1, van de Basiswet volgt dat alle beslissingen van de directie van de penitentiaire inrichting formeel worden gemotiveerd. De redenen die aanleiding gaven om een fouillering aan het lichaam voorop te stellen of te overwegen moeten door de directie verantwoord worden.
De bestreden beslissing werd als volgt gemotiveerd: “De fouillering is noodzakelijk om zekerheid te hebben dat betrokkene niet in het bezit is van verboden voorwerpen om zijn eigen veiligheid en dat van anderen te garanderen”.
De beslissing tot fouillering op het lichaam bevat geen individuele aanwijzingen dat klager bepaalde zaken verborgen zou hebben op het lichaam. Daarnaast motiveert de directie op geen enkele manier waarom een fouillering aan de kledij niet zou volstaan om na te gaan of klager in het bezit was van verboden of gevaarlijke voorwerpen of substanties. De klachtencommissie acht de motivering van de noodzaak van een fouillering op het lichaam als ontoereikend. In het licht van de motiveringsplicht die op de directie rust, beoordeelt zij de beslissing tot fouillering op het lichaam aldus als onwettig.
Klager beklaagt zich eveneens over de wijze van uitvoering van de fouillering, omdat één van de beambten klagers T-shirt scheurde terwijl dit gewoon kon gevraagd worden. Volgens de directie is dit in ieder geval geen bewuste handeling geweest.
De fouillering op het lichaam mag geen tergend karakter hebben en dient te geschieden met eerbiediging van de waardigheid van de gedetineerde.
Bijlage 3 bij collectieve brief nr. 141 bepaalt de wijze waarop de fouillering op het lichaam precies dient te worden uitgevoerd. De instructies beschrijven onder meer dat de gedetineerde wordt uitgenodigd om alle kledij en alle voorwerpen die hij op zich draagt te overhandigen. Op geen enkel moment is het de bedoeling dat de gedetineerde – of de kledij die hij draagt - wordt aangeraakt.
De directie ontkent niet dat het T-shirt van klager werd gescheurd, maar stelt louter dat dit geen bewuste handeling zal zijn geweest. Volgens de klachtencommissie is het hoe dan ook niet de bedoeling dat klagers lichaam en de kledij die hij draagt wordt aangeraakt tijdens de fouillering. De uitvoering van de fouillering vond dus niet plaats in overeenstemming met de voorschriften.
De klacht is gegrond.
- De voorlopige maatregel
Op 2 oktober 2025 om 18u15 meldt een beambte de volgende feiten:
“Toen [klager] terug binnen kwam van UV was hij duidelijk onder invloed. Er werd daarom beslist om hem een fouille op het lichaam te geven. Ik vroeg [klager] om me zijn kledij te overhandigen. Hij wierp daarop zijn broek en schoenen op de grond. Ik vroeg hem vriendelijk om deze op te rapen en me te overhandigen. Hij weigerde dat te doen en reageerde erg geagiteerd. Omwille van zijn verwarde indruk en zijn zeer moeilijke medewerking werd beslist om hem in de VC te plaatsten.”
Om 18u27 wordt klager in de beveiligde cel geplaatst. De beslissing wordt als volgt gemotiveerd: “Onder invloed van vermoedelijk alcohol na UV, weerspannig gedrag bij lichaamsfouille.”
Klager voert aan dat de plaatsing is gebeurd op 2 oktober 2025 om 18u27, terwijl de beslissing pas door de directeur werd ondertekend op 3 oktober 2025 om 10u30. De directie nam ook pas op die dag kennis van het rapport aan de directeur (hierna: ‘RAD’).
In het RAD staat over het nemen van de beslissing het volgende: “Omwille van zijn verwarde indruk en zijn zeer moeilijke medewerking werd beslist om hem in de VC te plaatsten”.
In haar verweer voert de directie het volgende aan: “Omdat hij tijdens de fouille een verwarde indruk maakte en zijn medewerking duidelijk weigerde, is besloten hem bij wijze van voorlopige maatregel over te brengen naar een veiligheidscel”. De directie weerlegt de beweringen van klager verder niet.
De klachtencommissie kan uit het dossier op geen enkele manier afleiden dat de bestreden beslissing werd genomen door een directeur. Nochtans is het enkel de directeur, zonder uitzondering, die een voorlopige maatregel in het kader van een tuchtprocedure kan opleggen.
De klacht is gegrond.
- De tuchtbeslissing
Klager wordt gesanctioneerd met vier dagen afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte (ATV) wegens ‘het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen’ .
De motivering van de tuchtbeslissing stelt met betrekking tot het feit dat klager geïnterneerd is het volgende:
“Betrokkene is geïnterneerd, maar op basis van alle beschikbare informatie wordt geconcludeerd dat hij verantwoordelijk is voor de gepleegde inbreuk. Het verweer tijdens de hoorzitting is helder en coherent.”
De directie verwijst naar het feit dat klager een coherent verweer geeft. De vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat echter op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de verklaringen van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten.
Gezien klager geïnterneerd is, is er minstens een vermoeden dat zijn handelen het gevolg is van een (psychiatrische) problematiek. Er wordt echter niet aangehaald met welke psychiatrische problemen klager kampte of wat de gevolgen daarvan konden zijn. Het is dan ook een raadsel hoe de directie heeft geoordeeld dat de (psychiatrische) problematiek van klager géén impact op zijn gedrag had.
Aangezien dit echter niet als zodanig terugkwam in het RAD en dus ook niet in de motivering van de tuchtbeslissing, voldoet de motivering van de toerekenbaarheid van de feiten niet aan artikel 144, §6 juncto artikel 8 van de Basiswet.
De tuchtbeslissing voldoet niet aan de wettelijke voorwaarden, waardoor de klacht gegrond is.
De klacht gaat over verschillende beslissingen van de directie van de gevangenis van Gent:
1) een fouillering op het lichaam en de uitvoering daarvan,
2) een voorlopige maatregel,
3) een tuchtbeslissing.
- De fouillering op het lichaam
Uit artikel 8, § 1, lid 1, van de Basiswet volgt dat alle beslissingen van de directie van de penitentiaire inrichting formeel worden gemotiveerd. De redenen die aanleiding gaven om een fouillering aan het lichaam voorop te stellen of te overwegen moeten door de directie verantwoord worden.
De bestreden beslissing werd als volgt gemotiveerd: “De fouillering is noodzakelijk om zekerheid te hebben dat betrokkene niet in het bezit is van verboden voorwerpen om zijn eigen veiligheid en dat van anderen te garanderen”.
De beslissing tot fouillering op het lichaam bevat geen individuele aanwijzingen dat klager bepaalde zaken verborgen zou hebben op het lichaam. Daarnaast motiveert de directie op geen enkele manier waarom een fouillering aan de kledij niet zou volstaan om na te gaan of klager in het bezit was van verboden of gevaarlijke voorwerpen of substanties. De klachtencommissie acht de motivering van de noodzaak van een fouillering op het lichaam als ontoereikend. In het licht van de motiveringsplicht die op de directie rust, beoordeelt zij de beslissing tot fouillering op het lichaam aldus als onwettig.
Klager beklaagt zich eveneens over de wijze van uitvoering van de fouillering, omdat één van de beambten klagers T-shirt scheurde terwijl dit gewoon kon gevraagd worden. Volgens de directie is dit in ieder geval geen bewuste handeling geweest.
De fouillering op het lichaam mag geen tergend karakter hebben en dient te geschieden met eerbiediging van de waardigheid van de gedetineerde.
Bijlage 3 bij collectieve brief nr. 141 bepaalt de wijze waarop de fouillering op het lichaam precies dient te worden uitgevoerd. De instructies beschrijven onder meer dat de gedetineerde wordt uitgenodigd om alle kledij en alle voorwerpen die hij op zich draagt te overhandigen. Op geen enkel moment is het de bedoeling dat de gedetineerde – of de kledij die hij draagt - wordt aangeraakt.
De directie ontkent niet dat het T-shirt van klager werd gescheurd, maar stelt louter dat dit geen bewuste handeling zal zijn geweest. Volgens de klachtencommissie is het hoe dan ook niet de bedoeling dat klagers lichaam en de kledij die hij draagt wordt aangeraakt tijdens de fouillering. De uitvoering van de fouillering vond dus niet plaats in overeenstemming met de voorschriften.
De klacht is gegrond.
- De voorlopige maatregel
Op 2 oktober 2025 om 18u15 meldt een beambte de volgende feiten:
“Toen [klager] terug binnen kwam van UV was hij duidelijk onder invloed. Er werd daarom beslist om hem een fouille op het lichaam te geven. Ik vroeg [klager] om me zijn kledij te overhandigen. Hij wierp daarop zijn broek en schoenen op de grond. Ik vroeg hem vriendelijk om deze op te rapen en me te overhandigen. Hij weigerde dat te doen en reageerde erg geagiteerd. Omwille van zijn verwarde indruk en zijn zeer moeilijke medewerking werd beslist om hem in de VC te plaatsten.”
Om 18u27 wordt klager in de beveiligde cel geplaatst. De beslissing wordt als volgt gemotiveerd: “Onder invloed van vermoedelijk alcohol na UV, weerspannig gedrag bij lichaamsfouille.”
Klager voert aan dat de plaatsing is gebeurd op 2 oktober 2025 om 18u27, terwijl de beslissing pas door de directeur werd ondertekend op 3 oktober 2025 om 10u30. De directie nam ook pas op die dag kennis van het rapport aan de directeur (hierna: ‘RAD’).
In het RAD staat over het nemen van de beslissing het volgende: “Omwille van zijn verwarde indruk en zijn zeer moeilijke medewerking werd beslist om hem in de VC te plaatsten”.
In haar verweer voert de directie het volgende aan: “Omdat hij tijdens de fouille een verwarde indruk maakte en zijn medewerking duidelijk weigerde, is besloten hem bij wijze van voorlopige maatregel over te brengen naar een veiligheidscel”. De directie weerlegt de beweringen van klager verder niet.
De klachtencommissie kan uit het dossier op geen enkele manier afleiden dat de bestreden beslissing werd genomen door een directeur. Nochtans is het enkel de directeur, zonder uitzondering, die een voorlopige maatregel in het kader van een tuchtprocedure kan opleggen.
De klacht is gegrond.
- De tuchtbeslissing
Klager wordt gesanctioneerd met vier dagen afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte (ATV) wegens ‘het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen’ .
De motivering van de tuchtbeslissing stelt met betrekking tot het feit dat klager geïnterneerd is het volgende:
“Betrokkene is geïnterneerd, maar op basis van alle beschikbare informatie wordt geconcludeerd dat hij verantwoordelijk is voor de gepleegde inbreuk. Het verweer tijdens de hoorzitting is helder en coherent.”
De directie verwijst naar het feit dat klager een coherent verweer geeft. De vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat echter op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de verklaringen van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten.
Gezien klager geïnterneerd is, is er minstens een vermoeden dat zijn handelen het gevolg is van een (psychiatrische) problematiek. Er wordt echter niet aangehaald met welke psychiatrische problemen klager kampte of wat de gevolgen daarvan konden zijn. Het is dan ook een raadsel hoe de directie heeft geoordeeld dat de (psychiatrische) problematiek van klager géén impact op zijn gedrag had.
Aangezien dit echter niet als zodanig terugkwam in het RAD en dus ook niet in de motivering van de tuchtbeslissing, voldoet de motivering van de toerekenbaarheid van de feiten niet aan artikel 144, §6 juncto artikel 8 van de Basiswet.
De tuchtbeslissing voldoet niet aan de wettelijke voorwaarden, waardoor de klacht gegrond is.