FOUILLE LICHAAM - MOTIVERING
De klacht gaat over de beslissing tot het opleggen van een fouillering op het lichaam.
Uit artikel 8, § 1, lid 1, van de Basiswet volgt dat alle beslissingen van de directie van de penitentiaire inrichting formeel worden gemotiveerd. De redenen die aanleiding gaven om een fouillering aan het lichaam voorop te stellen of te overwegen moeten door de directie verantwoord worden.
De bestreden beslissing werd als volgt gemotiveerd:
“Er was een sterke verdachte geur aanwezig bij terugkomst na UV. Er werd beslist voor een fouillering op het lichaam. Dit ter bescherming van personeelsleden, andere gedetineerden en/of ter bescherming van betrokkene zelf, is het noodzakelijk te vrijwaren dat hij scherpte of verboden voorwerpen of verboden substanties of zich draagt”.
Hoewel er wordt verwezen naar een individuele aanwijzing (een sterke verdachte geur aanwezig bij klager bij terugkomst na UV) motiveert de directie op geen enkele manier waarom een fouillering aan de kledij niet zou volstaan om na te gaan of klager in het bezit was van verboden of gevaarlijke voorwerpen of substanties. De klachtencommissie acht de motivering van de noodzaak van een fouillering op het lichaam als ontoereikend. In het licht van de motiveringsplicht die op de directie rust, beoordeelt zij de beslissing tot fouillering op het lichaam aldus als onwettig.
De klacht is gegrond.
De klacht gaat over de beslissing tot het opleggen van een fouillering op het lichaam.
Uit artikel 8, § 1, lid 1, van de Basiswet volgt dat alle beslissingen van de directie van de penitentiaire inrichting formeel worden gemotiveerd. De redenen die aanleiding gaven om een fouillering aan het lichaam voorop te stellen of te overwegen moeten door de directie verantwoord worden.
De bestreden beslissing werd als volgt gemotiveerd:
“Er was een sterke verdachte geur aanwezig bij terugkomst na UV. Er werd beslist voor een fouillering op het lichaam. Dit ter bescherming van personeelsleden, andere gedetineerden en/of ter bescherming van betrokkene zelf, is het noodzakelijk te vrijwaren dat hij scherpte of verboden voorwerpen of verboden substanties of zich draagt”.
Hoewel er wordt verwezen naar een individuele aanwijzing (een sterke verdachte geur aanwezig bij klager bij terugkomst na UV) motiveert de directie op geen enkele manier waarom een fouillering aan de kledij niet zou volstaan om na te gaan of klager in het bezit was van verboden of gevaarlijke voorwerpen of substanties. De klachtencommissie acht de motivering van de noodzaak van een fouillering op het lichaam als ontoereikend. In het licht van de motiveringsplicht die op de directie rust, beoordeelt zij de beslissing tot fouillering op het lichaam aldus als onwettig.
De klacht is gegrond.