TUCHT
De directie motiveert op geen enkele manier in de tuchtbeslissing waarom de feiten, ondanks het statuut van klager als geïnterneerde, aan klager konden worden toegerekend. De klachtencommissie merkt op dat de directie in haar verweer aangeeft hier wel rekening mee gehouden te hebben door de sanctie te beperken tot de opgelegde voorlopige maatregel. Echter valt dit niet af te leiden uit de tuchtbeslissing zelf en wordt evenmin verduidelijkt waarom een sanctie moet worden opgelegd. Er worden geen documenten of verklaringen toegevoegd waaruit meer duidelijkheid kon blijken over de toestand van klager op het moment van het plegen van de tuchtrechtelijke inbreuk.
Gezien klager geïnterneerd is, is er minstens een vermoeden dat zijn handelen het gevolg is van een (psychiatrische) problematiek. Er wordt echter niet aangehaald met welke psychiatrische problemen klager kampte of wat de gevolgen daarvan konden zijn. Het is dan ook een raadsel hoe de directie heeft geoordeeld dat de (psychiatrische) problematiek van klager géén impact op zijn gedrag had.
De klachtencommissie wenst te benadrukken dat de bewijslast met betrekking tot de toerekenbaarheid van de feiten aan een geïnterneerde bij de directie ligt. Indien er – bijvoorbeeld op basis van het RAD – onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om te oordelen of de tuchtrechtelijke inbreuk kan worden toegerekend, heeft de directie in principe andere middelen voorhanden, zoals een verslag van de PSD-psychiater. Het is de klachtencommissie niet onbekend dat deze dienst in de gevangenis geregeld onderbemand is, maar een dergelijke systeemfout neemt de motiveringsplicht van de directie niet weg.
De tuchtbeslissing voldoet niet aan de wettelijke voorwaarden, waardoor de klacht gegrond is.
De directie motiveert op geen enkele manier in de tuchtbeslissing waarom de feiten, ondanks het statuut van klager als geïnterneerde, aan klager konden worden toegerekend. De klachtencommissie merkt op dat de directie in haar verweer aangeeft hier wel rekening mee gehouden te hebben door de sanctie te beperken tot de opgelegde voorlopige maatregel. Echter valt dit niet af te leiden uit de tuchtbeslissing zelf en wordt evenmin verduidelijkt waarom een sanctie moet worden opgelegd. Er worden geen documenten of verklaringen toegevoegd waaruit meer duidelijkheid kon blijken over de toestand van klager op het moment van het plegen van de tuchtrechtelijke inbreuk.
Gezien klager geïnterneerd is, is er minstens een vermoeden dat zijn handelen het gevolg is van een (psychiatrische) problematiek. Er wordt echter niet aangehaald met welke psychiatrische problemen klager kampte of wat de gevolgen daarvan konden zijn. Het is dan ook een raadsel hoe de directie heeft geoordeeld dat de (psychiatrische) problematiek van klager géén impact op zijn gedrag had.
De klachtencommissie wenst te benadrukken dat de bewijslast met betrekking tot de toerekenbaarheid van de feiten aan een geïnterneerde bij de directie ligt. Indien er – bijvoorbeeld op basis van het RAD – onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om te oordelen of de tuchtrechtelijke inbreuk kan worden toegerekend, heeft de directie in principe andere middelen voorhanden, zoals een verslag van de PSD-psychiater. Het is de klachtencommissie niet onbekend dat deze dienst in de gevangenis geregeld onderbemand is, maar een dergelijke systeemfout neemt de motiveringsplicht van de directie niet weg.
De tuchtbeslissing voldoet niet aan de wettelijke voorwaarden, waardoor de klacht gegrond is.