KC10/22-0027
Gegrond
KC - Hasselt
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
REKENINGEN - STEUNFONDS - PROPORTIONALITEIT - KLACHTENPROCEDURE
Volgens de klachtencommissie maakte de boekhouding in voorliggend dossier toepassing van een door directie uitgevaardigde beleidsmatige regel. De regels voor het sociaal steunfonds zijn immers geheel eigen aan de PI van Hasselt, zoals de directie ter zitting van de klachtencommissie verklaarde. In het licht daarvan dient volgens de klachtencommissie het toepassen van deze algemene regel in voorliggend dossier beschouwd te worden als een beslissing genomen namens de directeur in de zin van artikel 148 Basiswet. De klacht is ontvankelijk.
Klager kreeg geen sociale steun toegekend omdat hij het limietbedrag van 416 euro openstaande schuld had bereikt. Het openstaand bedrag bedraagt (een som van) openstaande leningen, daterend van 2007, 2010, 2011, 2012 en meer recent 2021 en 2022. Het komt de klachtencommissie onredelijk voor dat er nog steeds rekening wordt gehouden met openstaande bedragen van het verre verleden. In 2022 werd een aantal keren een terugbetaling geregistreerd van een lening van 2021 en 2022, hetgeen begrijpelijk is. Tussendoor vordert men echter ook opeens weer bedragen terug van 2010 en 2011. De klachtencommissie kan dan ook begrijpen dat dit aanleiding geeft tot frustratie bij klager. Nergens uit het dossier blijkt bovendien dat de directie eerder enige inspanningen leverde (bv. via gerechtelijke weg) om de openstaande schuld op klager te verhalen aan het einde van diens vorige detentie. De beslissing om deze oude openstaande leningen tijdens zijn huidige detentie blijvend mee te tellen voor de bepaling van de openstaande schuld, komt de klachtencommissie dan ook onredelijk voor. De klacht is gegrond. De beslissing wordt vernietigd.
Volgens de klachtencommissie maakte de boekhouding in voorliggend dossier toepassing van een door directie uitgevaardigde beleidsmatige regel. De regels voor het sociaal steunfonds zijn immers geheel eigen aan de PI van Hasselt, zoals de directie ter zitting van de klachtencommissie verklaarde. In het licht daarvan dient volgens de klachtencommissie het toepassen van deze algemene regel in voorliggend dossier beschouwd te worden als een beslissing genomen namens de directeur in de zin van artikel 148 Basiswet. De klacht is ontvankelijk.
Klager kreeg geen sociale steun toegekend omdat hij het limietbedrag van 416 euro openstaande schuld had bereikt. Het openstaand bedrag bedraagt (een som van) openstaande leningen, daterend van 2007, 2010, 2011, 2012 en meer recent 2021 en 2022. Het komt de klachtencommissie onredelijk voor dat er nog steeds rekening wordt gehouden met openstaande bedragen van het verre verleden. In 2022 werd een aantal keren een terugbetaling geregistreerd van een lening van 2021 en 2022, hetgeen begrijpelijk is. Tussendoor vordert men echter ook opeens weer bedragen terug van 2010 en 2011. De klachtencommissie kan dan ook begrijpen dat dit aanleiding geeft tot frustratie bij klager. Nergens uit het dossier blijkt bovendien dat de directie eerder enige inspanningen leverde (bv. via gerechtelijke weg) om de openstaande schuld op klager te verhalen aan het einde van diens vorige detentie. De beslissing om deze oude openstaande leningen tijdens zijn huidige detentie blijvend mee te tellen voor de bepaling van de openstaande schuld, komt de klachtencommissie dan ook onredelijk voor. De klacht is gegrond. De beslissing wordt vernietigd.