TUCHT - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING - SANCTIE
Volgens de klachtencommissie stelt er zich in het voorliggend dossier een probleem met de toerekening van de feiten aan klager. De advocaat van klager stelde ter tuchtzitting: “Ik vraag mij af of hier wel sprake kan zijn van kwade wil gelet op de geestelijke mogelijkheden en het besef van mijn cliënt.” De directie hechtte voldoende belang aan dit argument om er rekening mee te houden, zij het enkel bij het bepalen van de strafmaat. Volgens de klachtencommissie toont de aanvaarding van dit argument echter aan dat de toerekening van de feiten aan klager allerminst als een evidentie kan worden beschouwd. De directie diende in de motivering dan ook toe te lichten waarom zij besloot over te gaan tot toerekening van feiten aan iemand waarvan door zijn eigen raadsman de geestelijke mogelijkheden en het besef (succesvol) in twijfel werden getrokken. De motivering is dan ook onvoldoende in het licht van artikel 144 §6, tweede lid Basiswet.
Zelfs indien de directie de toerekening voldoende had verantwoord, stelt zich volgens de klachtencommissie ook een probleem inzake de opgelegde bijzondere sanctie. De directeur koos voor de bijzondere tuchtsanctie van het verbod om deel te nemen aan culturele, sportieve of ontspanningsactiviteiten in gemeenschappelijk verband (artikel 133, 5° van de Basiswet) gedurende 7 dagen.
De directie heeft de sanctie enkel verantwoord aan de hand van de “persoonlijke factoren van betrokkene”. Een bijzondere tuchtsanctie moet steeds in verband staan met de aard of de omstandigheden van de tuchtrechtelijke inbreuk (artikel 133 van de Basiswet). In het voorliggend dossier is dit volgens de klachtencommissie allerminst het geval.
De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe, gelet op de niet-uitvoerbaarheid van dergelijke tegemoetkoming ten gevolge van de voorwaardelijke invrijheidstelling van klager sedert 19 oktober 2022.
Volgens de klachtencommissie stelt er zich in het voorliggend dossier een probleem met de toerekening van de feiten aan klager. De advocaat van klager stelde ter tuchtzitting: “Ik vraag mij af of hier wel sprake kan zijn van kwade wil gelet op de geestelijke mogelijkheden en het besef van mijn cliënt.” De directie hechtte voldoende belang aan dit argument om er rekening mee te houden, zij het enkel bij het bepalen van de strafmaat. Volgens de klachtencommissie toont de aanvaarding van dit argument echter aan dat de toerekening van de feiten aan klager allerminst als een evidentie kan worden beschouwd. De directie diende in de motivering dan ook toe te lichten waarom zij besloot over te gaan tot toerekening van feiten aan iemand waarvan door zijn eigen raadsman de geestelijke mogelijkheden en het besef (succesvol) in twijfel werden getrokken. De motivering is dan ook onvoldoende in het licht van artikel 144 §6, tweede lid Basiswet.
Zelfs indien de directie de toerekening voldoende had verantwoord, stelt zich volgens de klachtencommissie ook een probleem inzake de opgelegde bijzondere sanctie. De directeur koos voor de bijzondere tuchtsanctie van het verbod om deel te nemen aan culturele, sportieve of ontspanningsactiviteiten in gemeenschappelijk verband (artikel 133, 5° van de Basiswet) gedurende 7 dagen.
De directie heeft de sanctie enkel verantwoord aan de hand van de “persoonlijke factoren van betrokkene”. Een bijzondere tuchtsanctie moet steeds in verband staan met de aard of de omstandigheden van de tuchtrechtelijke inbreuk (artikel 133 van de Basiswet). In het voorliggend dossier is dit volgens de klachtencommissie allerminst het geval.
De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe, gelet op de niet-uitvoerbaarheid van dergelijke tegemoetkoming ten gevolge van de voorwaardelijke invrijheidstelling van klager sedert 19 oktober 2022.