KC10/23-0028
Ongegrond
KC - Hasselt
Klachtencommissie
Bijzondere veiligheidsmaatregel
BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL
De klachtencommissie heeft kennisgenomen van het verslag van horen. De Basiswet voorziet niet in het recht op bijstand van een advocaat tijdens het horen voorafgaand aan het opleggen van een bijzondere veiligheidsmaatregel (BVM). De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van een BVM de ernstige aanwijzingen voor een gevaar van de orde en de veiligheid bevat. De directeur motiveerde uitgebreid waarom het noodzakelijk was dat klager gedurende zeven dagen uitgesloten werd van de deelname aan gemeenschappelijke activiteiten. Glasbezoek was toegelaten. Enerzijds had de directie verschillende aanwijzingen dat klager verdovende middelen verhandelde in de gevangenis en anderzijds hadden verschillende gedetineerden aangegeven dat zij zich tijdens de wandeling zouden wreken op klager eens haar ATV-sanctie was afgelopen. Teneinde de orde in de gevangenis te vrijwaren en de fysieke integriteit van klager te beschermen, besliste de directeur om de bestreden BVM op te leggen. De bestreden beslissing werd aan klager betekend. De Basiswet schrijft geen termijn voor waarbinnen dit moet gebeuren. Volgens het verweer van de directie gebeurde dit de dag zelf nog. Daarenboven was klager in de mogelijkheid om tijdig een klacht in te dienen tegen de bestreden beslissing en werd zij gedurende de klachtenprocedure bijgestaan door haar voorkeursadvocaat. De klachtencommissie meent dat de beslissing wettig was en niet onredelijk of onbillijk. De klacht is ongegrond.
De klachtencommissie heeft kennisgenomen van het verslag van horen. De Basiswet voorziet niet in het recht op bijstand van een advocaat tijdens het horen voorafgaand aan het opleggen van een bijzondere veiligheidsmaatregel (BVM). De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van een BVM de ernstige aanwijzingen voor een gevaar van de orde en de veiligheid bevat. De directeur motiveerde uitgebreid waarom het noodzakelijk was dat klager gedurende zeven dagen uitgesloten werd van de deelname aan gemeenschappelijke activiteiten. Glasbezoek was toegelaten. Enerzijds had de directie verschillende aanwijzingen dat klager verdovende middelen verhandelde in de gevangenis en anderzijds hadden verschillende gedetineerden aangegeven dat zij zich tijdens de wandeling zouden wreken op klager eens haar ATV-sanctie was afgelopen. Teneinde de orde in de gevangenis te vrijwaren en de fysieke integriteit van klager te beschermen, besliste de directeur om de bestreden BVM op te leggen. De bestreden beslissing werd aan klager betekend. De Basiswet schrijft geen termijn voor waarbinnen dit moet gebeuren. Volgens het verweer van de directie gebeurde dit de dag zelf nog. Daarenboven was klager in de mogelijkheid om tijdig een klacht in te dienen tegen de bestreden beslissing en werd zij gedurende de klachtenprocedure bijgestaan door haar voorkeursadvocaat. De klachtencommissie meent dat de beslissing wettig was en niet onredelijk of onbillijk. De klacht is ongegrond.