Ga verder naar de inhoud

KC10/23-0124

Gegrond KC - Hasselt Klachtencommissie Tucht
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - MOTIVERING - KWALIFICATIE INBREUK - BEWIJS

Er werd een rapport aan de directeur (RAD) opgemaakt. Tijdens de dagelijks opgelegde celcontrole, vond de opsteller van het RAD in een doos met papieren een surprise ei met daarin nog restjes witte substantie. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting ontkende klager dat het gevonden eitje van haar was. Net zoals klager ook uiteenzette in haar klacht, verdenkt zij haar ex-celgenoot het eitje in haar verhuisdozen te hebben gestopt. Klager stelde voor om een urinetest af te leggen. De directeur vond de verklaring van klager echter niet geloofwaardig gelet op haar tuchtrechtelijk verleden en haar problematiek met verdovende middelen.

De klachtencommissie stelt vast dat de directie er zondermeer vanuit is gegaan dat de restjes witte substantie in het surprise ei waarvan sprake in het RAD en de tuchtbeslissing, drugs zijn. Nochtans worden in het tuchtdossier geen elementen aangehaald waaruit het verboden karakter van de substantie moet blijken. In de motivering van de tuchtbeslissing wordt gesteld dat klager tijdens de hoorzitting aangaf dat de drugs niet van haar waren. Op basis van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting stelt de klachtencommissie nochtans vast dat klager nooit het woord drugs in de mond heeft genomen.

De klachtencommissie is bovendien van oordeel dat het onderzoek niet zorgvuldig werd gevoerd door de verklaring van klager niet grondiger te onderzoeken. De klachtencommissie is immers op de hoogte van een eerder gevoerde tuchtprocedure waarbij klager ook werd beschuldigd van het bezit van drugs naar aanleiding van de vondst van een zelfde ei tijdens een celcontrole eind september. De celgenote van klager had toen toegegeven dat het ei van haar was. Klager werd hier toen niet voor gesanctioneerd (KC10/23-0110). Bijgevolg meent de klachtencommissie dat de verklaring van klager minstens plausibel is. Een interpellatie van de vroegere celgenote van klager had wellicht meer klaarheid gebracht. Bijgevolg bestaat er twijfel over de toerekenbaarheid van de inbreuk in hoofde van klager.

De klachtencommissie besluit dat het niet bewezen is dat er restanten van drugs werden aangetroffen, evenmin dat de restanten toebehoorden aan klager. Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing. Aangezien klager niet meer in detentie verblijft, kan een tegemoetkoming niet worden uitgevoerd zodat de klachtencommissie ook geen tegemoetkoming toekent.