TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - BEWIJS
De klachtencommissie nam kennis van het tuchtdossier dat één rapport aan de directeur (RAD) bevat. Volgens het RAD werd er die dag een celcontrole met de drugshond uitgevoerd in de cel waar klager verbleef. Tijdens deze controle zouden de opsteller van het RAD en zijn collega een blokje hasj in de zak van de trainingsbroek van klager gevonden hebben. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting ontkende klager het bezit van drugs. Ze had het vermoeden dat de drugs in een briefje zaten dat ze had gekregen van een mannelijke gedetineerde uit de les Frans. Die gedetineerde had haar aangesproken met de vraag of klager een bepaalde vrouwelijke gedetineerde kende waarop klager het briefje moest afgeven aan haar. Klager benadrukt dat ze zelf geen drugs gebruikt. De directeur weerhield een tuchtrechtelijke inbreuk van eerste categorie, namelijk het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. De klachtencommissie is van oordeel dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren en kon toerekenen aan klager gelet op de vaststelling dat de hasj werd gevonden in een kledingstuk dat toebehoorde aan klager. De klachtencommissie meent dat klager hiervoor een verklaring geeft die echter door niets wordt gestaafd. Er is geen enkele aanwijzing voorhanden waaruit blijkt dat er geloof aan het verhaal van klager moet worden gehecht. De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van veertien dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie kan maximaal dertig dagen ATV opgelegd worden zodat de tuchtsanctie van veertien dagen ATV wettig was en bijzonder mild gelet op de aard van de inbreuk. Om deze redenen is de klacht ongegrond.
De klachtencommissie nam kennis van het tuchtdossier dat één rapport aan de directeur (RAD) bevat. Volgens het RAD werd er die dag een celcontrole met de drugshond uitgevoerd in de cel waar klager verbleef. Tijdens deze controle zouden de opsteller van het RAD en zijn collega een blokje hasj in de zak van de trainingsbroek van klager gevonden hebben. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting ontkende klager het bezit van drugs. Ze had het vermoeden dat de drugs in een briefje zaten dat ze had gekregen van een mannelijke gedetineerde uit de les Frans. Die gedetineerde had haar aangesproken met de vraag of klager een bepaalde vrouwelijke gedetineerde kende waarop klager het briefje moest afgeven aan haar. Klager benadrukt dat ze zelf geen drugs gebruikt. De directeur weerhield een tuchtrechtelijke inbreuk van eerste categorie, namelijk het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. De klachtencommissie is van oordeel dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren en kon toerekenen aan klager gelet op de vaststelling dat de hasj werd gevonden in een kledingstuk dat toebehoorde aan klager. De klachtencommissie meent dat klager hiervoor een verklaring geeft die echter door niets wordt gestaafd. Er is geen enkele aanwijzing voorhanden waaruit blijkt dat er geloof aan het verhaal van klager moet worden gehecht. De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van veertien dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie kan maximaal dertig dagen ATV opgelegd worden zodat de tuchtsanctie van veertien dagen ATV wettig was en bijzonder mild gelet op de aard van de inbreuk. Om deze redenen is de klacht ongegrond.