TUCHT - BIJSTAND ADVOCAAT - VERBODEN SUBSTANTIES - TEGEMOETKOMING
Klager werd ingevolge de feiten vastgesteld in een rapport aan de directeur, tuchtrechtelijk gesanctioneerd met zeven dagen ATV voor het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties, een tuchtinbreuk van eerste categorie, en het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen, een tuchtinbreuk van tweede categorie. Bij een celcontrole in de cel van klager werden bruine lange vloeitjes en tipjes, verstopt in een leeg pakje tabak, gevonden alsook één flesje met een doorzichtige onbekende vloeibare/GHB substantie waarvan de adjudant op basis van haar bevindingen dacht dat het GHB was en één waterfles gevuld met een rode onbekende vloeibare substantie met een alcoholische geur.
In het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting leest de klachtencommissie dat de advocaat van klager werd uitgenodigd maar niet aanwezig was. Bij aanvang van de zitting zou klager gezegd hebben dat hij absoluut wil dat zijn advocaat erbij is. De directie zou hierop geantwoord hebben dat zijn advocaat er niet is en dat de zaak toch zou behandeld worden. Hoewel het tuchtdossier geen uitnodiging van de advocaat bevat, gaat de klachtencommissie op basis van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting, ervan uit dat de advocaat van klager wel werd opgeroepen maar toch niet is komen opdagen. Ondanks het feit dat uit het administratief dossier dus lijkt dat de directie het nodige heeft gedaan, dient de directie zich ervan te verzekeren dat een gedetineerde ondubbelzinnig afstand doet van zijn fundamenteel bijstandsrecht. Op basis van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting, besluit de klachtencommissie dat klager absoluut geen afstand deed van zijn recht op bijstand. Dat de directeur vervolgens toch de hoorzitting liet doorgaan, is in strijd met Collectieve Brief nr. 124 van 6 september 2013. Aangezien de reden van de afwezigheid van de opgegeven raadsman niet bij klager lag, is het onredelijk dat de directie in de gegeven omstandigheden geen eenmalig uitstel toekende, vooral omdat er geen voorlopige maatregel was opgelegd. Het verslag van de hoorzitting bevat ook geen reden waarom men geen kort uitstel wou verlenen. Een andere optie was dat klager beroep kon doen op de advocaat die van tuchtpermanentie was. De klachtencommissie besluit dat het recht van verdediging van klager werd geschonden, doordat hem een tuchtsanctie werd opgelegd zonder dat hij bij zijn verdediging door een advocaat werd bijgestaan. Alleen al om deze redenen is de klacht gegrond.
Bovendien wijst de klachtencommissie er nog op dat in motivering van de tuchtbeslissing niet vermeld staat welke bepaling van het huishoudelijk reglement klager zou hebben geschonden. Voorts meent de klachtencommissie uit het verweer van de directie af te leiden dat het voor de directie niet bewezen is dat de gevonden voorwerpen/substanties in de cel van klager, effectief drugs betrof (specifiek GHB). Nochtans kan een gedetineerde alleen schuldig worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing. Gelet op de vraag van klager en de opmerkingen van de directie op de gevraagde tegemoetkoming, kent de klachtencommissie een compensatie toe bestaande uit twee familiale bezoeken en één tafelbezoek.
Klager werd ingevolge de feiten vastgesteld in een rapport aan de directeur, tuchtrechtelijk gesanctioneerd met zeven dagen ATV voor het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties, een tuchtinbreuk van eerste categorie, en het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen, een tuchtinbreuk van tweede categorie. Bij een celcontrole in de cel van klager werden bruine lange vloeitjes en tipjes, verstopt in een leeg pakje tabak, gevonden alsook één flesje met een doorzichtige onbekende vloeibare/GHB substantie waarvan de adjudant op basis van haar bevindingen dacht dat het GHB was en één waterfles gevuld met een rode onbekende vloeibare substantie met een alcoholische geur.
In het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting leest de klachtencommissie dat de advocaat van klager werd uitgenodigd maar niet aanwezig was. Bij aanvang van de zitting zou klager gezegd hebben dat hij absoluut wil dat zijn advocaat erbij is. De directie zou hierop geantwoord hebben dat zijn advocaat er niet is en dat de zaak toch zou behandeld worden. Hoewel het tuchtdossier geen uitnodiging van de advocaat bevat, gaat de klachtencommissie op basis van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting, ervan uit dat de advocaat van klager wel werd opgeroepen maar toch niet is komen opdagen. Ondanks het feit dat uit het administratief dossier dus lijkt dat de directie het nodige heeft gedaan, dient de directie zich ervan te verzekeren dat een gedetineerde ondubbelzinnig afstand doet van zijn fundamenteel bijstandsrecht. Op basis van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting, besluit de klachtencommissie dat klager absoluut geen afstand deed van zijn recht op bijstand. Dat de directeur vervolgens toch de hoorzitting liet doorgaan, is in strijd met Collectieve Brief nr. 124 van 6 september 2013. Aangezien de reden van de afwezigheid van de opgegeven raadsman niet bij klager lag, is het onredelijk dat de directie in de gegeven omstandigheden geen eenmalig uitstel toekende, vooral omdat er geen voorlopige maatregel was opgelegd. Het verslag van de hoorzitting bevat ook geen reden waarom men geen kort uitstel wou verlenen. Een andere optie was dat klager beroep kon doen op de advocaat die van tuchtpermanentie was. De klachtencommissie besluit dat het recht van verdediging van klager werd geschonden, doordat hem een tuchtsanctie werd opgelegd zonder dat hij bij zijn verdediging door een advocaat werd bijgestaan. Alleen al om deze redenen is de klacht gegrond.
Bovendien wijst de klachtencommissie er nog op dat in motivering van de tuchtbeslissing niet vermeld staat welke bepaling van het huishoudelijk reglement klager zou hebben geschonden. Voorts meent de klachtencommissie uit het verweer van de directie af te leiden dat het voor de directie niet bewezen is dat de gevonden voorwerpen/substanties in de cel van klager, effectief drugs betrof (specifiek GHB). Nochtans kan een gedetineerde alleen schuldig worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing. Gelet op de vraag van klager en de opmerkingen van de directie op de gevraagde tegemoetkoming, kent de klachtencommissie een compensatie toe bestaande uit twee familiale bezoeken en één tafelbezoek.