TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - BEWIJS - VERMOEDEN VAN ONSCHULD
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties naar aanleiding van het roken van een joint tijdens de middagpauze in de rookruimte van werkhuis 2. Er werd een RAD opgemaakt door opsteller omdat hij en zijn collega die het RAD mee ondertekend heeft, hadden vastgesteld hoe een groepje met vijf gedetineerden hasj had gerookt. Klager was één van de aanwezigen. De gedetineerden zouden meerdere malen verwittigd zijn dat dit niet getolereerd wordt en dat ze allen terug op cel zouden moeten gaan als niemand zijn verantwoordelijkheid nam. De klachtencommissie stelt aan de hand van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting vast dat klager de vaststellingen van het personeel ontkende. Hij had helemaal niets gerookt want hij had zelfs geen sigaretten bij zich. Tijdens de pauze kwam een beambte vragen wie er een joint had gerookt. Daarna werd iedereen naar cel gestuurd.
De klachtencommissie is van oordeel dat uit het RAD niet geconcludeerd kan worden dat de twee beambten klager een joint hebben zien roken. De klachtencommissie meent dat uit het RAD enkel kan vastgesteld worden dat klager deel uitmaakte van een groepje van gedetineerden. Dit blijkt ook uit de motivering van de tuchtbeslissing want daarin is er sprake van het personeel dat achteraf een sterke hasjgeur had waargenomen. Hieruit leidt de klachtencommissie af dat de twee beambten niemand hebben zien roken. Dat er hasj zou zijn gerookt, zou vaststaan op basis van de geur en de verklaringen van enkele gedetineerden die bevestigden dat er wel degelijk een joint was gerookt. Opnieuw is dit geen bewijs dat klager een joint heeft gerookt. De klachtencommissie besluit dat de directeur de tuchtinbreuk niet in redelijkheid en billijkheid kon bewezen verklaren in hoofde van klager. De tuchtsanctie werd in strijd met het vermoeden van onschuld opgelegd. Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing.
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties naar aanleiding van het roken van een joint tijdens de middagpauze in de rookruimte van werkhuis 2. Er werd een RAD opgemaakt door opsteller omdat hij en zijn collega die het RAD mee ondertekend heeft, hadden vastgesteld hoe een groepje met vijf gedetineerden hasj had gerookt. Klager was één van de aanwezigen. De gedetineerden zouden meerdere malen verwittigd zijn dat dit niet getolereerd wordt en dat ze allen terug op cel zouden moeten gaan als niemand zijn verantwoordelijkheid nam. De klachtencommissie stelt aan de hand van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting vast dat klager de vaststellingen van het personeel ontkende. Hij had helemaal niets gerookt want hij had zelfs geen sigaretten bij zich. Tijdens de pauze kwam een beambte vragen wie er een joint had gerookt. Daarna werd iedereen naar cel gestuurd.
De klachtencommissie is van oordeel dat uit het RAD niet geconcludeerd kan worden dat de twee beambten klager een joint hebben zien roken. De klachtencommissie meent dat uit het RAD enkel kan vastgesteld worden dat klager deel uitmaakte van een groepje van gedetineerden. Dit blijkt ook uit de motivering van de tuchtbeslissing want daarin is er sprake van het personeel dat achteraf een sterke hasjgeur had waargenomen. Hieruit leidt de klachtencommissie af dat de twee beambten niemand hebben zien roken. Dat er hasj zou zijn gerookt, zou vaststaan op basis van de geur en de verklaringen van enkele gedetineerden die bevestigden dat er wel degelijk een joint was gerookt. Opnieuw is dit geen bewijs dat klager een joint heeft gerookt. De klachtencommissie besluit dat de directeur de tuchtinbreuk niet in redelijkheid en billijkheid kon bewezen verklaren in hoofde van klager. De tuchtsanctie werd in strijd met het vermoeden van onschuld opgelegd. Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing.