Ga verder naar de inhoud

KC10/24-0073

Ongegrond KC - Hasselt Klachtencommissie Tucht
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - BEWIJS

Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. De opsteller van het RAD zag tijdens zijn toezicht van de wandeling hoe een gedetineerde twee lijntjes met een witte substantie klaarlegde op de vensterbank achter de automaat. Hierna kwam klager en snoof één van de twee lijntjes op via zijn neus. Daarna snoof de andere gedetineerde het tweede lijntje op via zijn neus. De klachtencommissie stelt aan de hand van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting vast dat klager de vaststellingen van het personeel ontkent. Klager gaf toe dat er lijntjes lagen maar hijzelf heeft niet gesnoven, hij heeft enkel gekeken wat er lag. Klager verklaarde ook al drie jaar niet meer te gebruiken. Hij is clean. Hij wordt regelmatig onderworpen aan onaangekondigde controles. Tijdens de zitting vroeg hij ook om gecontroleerd te worden. In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD zorgvuldig werd opgesteld. De opsteller heeft de handelingen die ontegensprekelijk verband houden met het gebruik van drugs, expliciet en duidelijk omschreven. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Daarnaast ontving de klachtencommissie via het klachtenbureau een attest van de inrichtingsarts waaruit blijkt dat klager na de tuchtbeslissing op eigen verzoek een urinetest liet afnemen. Deze was, uitgezonderd voorgeschreven medicatie, negatief. De klachtencommissie meent echter dat dit resultaat geen bewijs is dat klager destijds op de wandeling geen drugs heeft gesnoven. De klachtencommissie is tenslotte van oordeel dat hieruit volgt dat niets belette dat klager tussen de opmaak van het RAD en de tuchtrechtelijke hoorzitting al een test door de dokter liet afnemen en dit resultaat meebracht naar de zitting.
De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.

De directeur legde een bijzondere tuchtsanctie op in de vorm van het verbod om deel te nemen aan de gemeenschappelijke wandeling gedurende zeven dagen. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie kan dit maximaal gedurende dertig dagen opgelegd worden. Bovendien was er een verband tussen de feiten en de opgelegde sanctie zodat de bijzondere tuchtsanctie een spiegelende sanctie was. De tuchtsanctie was bijgevolg wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op het tuchtrechtelijk verleden van klager in verband met drugs. Om deze redenen is de klacht ongegrond.