KC10/25-0087
Ongegrond
Gegrond
KC - Hasselt
Klachtencommissie
Voorlopige maatregel
Bijzondere veiligheidsmaatregel
VOORLOPIGE MAATREGEL - BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - TUCHT
In het voorliggend dossier werd de voorlopige maatregel van de onderbrenging in een beveiligde cel opgelegd op grond van “de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid” (artikel 145, eerste lid Basiswet). De schriftelijke motivering werd weliswaar ook nog eens herhaald onder de grond van “gevaar voor de orde of de veiligheid” (artikel 145, tweede lid Basiswet), doch daar werden geen bijkomende maatregelen aangekruist. Uit de RAD’s dat klager zich verbaal agressief gedroeg en dreigend opstelde wanneer men hem verzocht om zijn medicatie onder toezicht te nemen (zoals opgelegd door de medische dienst). Klager weigerde dit. De klachtencommissie meent dat de motivering die de directie gaf voldoende verantwoordde dat er sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. Klager stelt dat hij van 29/06 t.e.m. 01/07 in de strafcel werd geplaatst (het verweer van de directie hierover berust op een foute lezing van het geschrift van klager), zonder dat er een officiële mogelijkheid tot verweer was van hem met bijstand van een advocaat omdat hem vanalles wordt opgelegd door een personeelslid. De klachtencommissie wijst erop dat de voorlopige maatregel (normaliter, doch zie 3.2.) in afwachting van de tuchtprocedure wordt opgelegd, waarbij betrokkene ter gelegenheid van deze tuchtprocedure de mogelijkheid krijgt om zijn verweermiddelen aan te voeren. De wet voorziet dat hij gehoord dient te worden binnen de 72 uur na de inwerkingtreding van de voorlopige maatregel (artikel 144, §5, tweede lid Basiswet). In de navolgende tuchtprocedure kan klager zich ook laten bijstaan door een advocaat (artikel 144, §4 Basiswet). Dat klager zich gedurende de voorlopige maatregel nog niet kon verweren en laten bijstaan door een advocaat was aldus wettelijk. De klacht is ongegrond.
De voorlopige maatregel van 29 juni 2025 werd niet gevolgd door een tuchtbeslissing maar door de volgende BVM van1 juli 2025. In geval van ernstige aanwijzingen van een gevaar voor de orde of de veiligheid kan de directie ten aanzien van een gedetineerde bijzondere veiligheidsmaatregelen bevelen (artikel 110 §1 Basiswet). De wet geeft een limitatieve opsomming van deze maatregelen die afzonderlijk of in combinatie voor de strikt noodzakelijke tijd kunnen worden opgelegd (artikel 112 §1 Basiswet).Wanneer de feiten die aanleiding kunnen geven tot een bijzondere beveiligingsmaatregel eveneens het karakter hebben van een tuchtrechtelijke inbreuk, wordt enkel de tuchtprocedure ingesteld (artikel 111, §2 Basiswet). De noodzaak tot het opleggen van een bijzondere veiligheidsmaatregel na een tuchtsanctie kan slechts beoordeeld en beslist worden na het beëindigen van de tuchtsanctie (artikel 111, §3 Basiswet). De klachtencommissie stelt vast dat de directie in de motivering van de bijzondere veiligheidsmaatregel onder andere verwijst naar de twee RAD’s van 28 en 29 juni 2025. De klachtencommissie meent dat de vaststellingen zoals opgenomen in de RAD’s mogelijke tuchtinbreuken uitmaken: de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet). De directie had dan ook toepassing moeten maken van artikel 111, §2 Basiswet en eerst een tuchtprocedure moeten opstarten. De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe aangezien hetgeen door klager gevraagd werd (mutatie naar sectie 30) niet opportuun wordt geacht.
In het voorliggend dossier werd de voorlopige maatregel van de onderbrenging in een beveiligde cel opgelegd op grond van “de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid” (artikel 145, eerste lid Basiswet). De schriftelijke motivering werd weliswaar ook nog eens herhaald onder de grond van “gevaar voor de orde of de veiligheid” (artikel 145, tweede lid Basiswet), doch daar werden geen bijkomende maatregelen aangekruist. Uit de RAD’s dat klager zich verbaal agressief gedroeg en dreigend opstelde wanneer men hem verzocht om zijn medicatie onder toezicht te nemen (zoals opgelegd door de medische dienst). Klager weigerde dit. De klachtencommissie meent dat de motivering die de directie gaf voldoende verantwoordde dat er sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. Klager stelt dat hij van 29/06 t.e.m. 01/07 in de strafcel werd geplaatst (het verweer van de directie hierover berust op een foute lezing van het geschrift van klager), zonder dat er een officiële mogelijkheid tot verweer was van hem met bijstand van een advocaat omdat hem vanalles wordt opgelegd door een personeelslid. De klachtencommissie wijst erop dat de voorlopige maatregel (normaliter, doch zie 3.2.) in afwachting van de tuchtprocedure wordt opgelegd, waarbij betrokkene ter gelegenheid van deze tuchtprocedure de mogelijkheid krijgt om zijn verweermiddelen aan te voeren. De wet voorziet dat hij gehoord dient te worden binnen de 72 uur na de inwerkingtreding van de voorlopige maatregel (artikel 144, §5, tweede lid Basiswet). In de navolgende tuchtprocedure kan klager zich ook laten bijstaan door een advocaat (artikel 144, §4 Basiswet). Dat klager zich gedurende de voorlopige maatregel nog niet kon verweren en laten bijstaan door een advocaat was aldus wettelijk. De klacht is ongegrond.
De voorlopige maatregel van 29 juni 2025 werd niet gevolgd door een tuchtbeslissing maar door de volgende BVM van1 juli 2025. In geval van ernstige aanwijzingen van een gevaar voor de orde of de veiligheid kan de directie ten aanzien van een gedetineerde bijzondere veiligheidsmaatregelen bevelen (artikel 110 §1 Basiswet). De wet geeft een limitatieve opsomming van deze maatregelen die afzonderlijk of in combinatie voor de strikt noodzakelijke tijd kunnen worden opgelegd (artikel 112 §1 Basiswet).Wanneer de feiten die aanleiding kunnen geven tot een bijzondere beveiligingsmaatregel eveneens het karakter hebben van een tuchtrechtelijke inbreuk, wordt enkel de tuchtprocedure ingesteld (artikel 111, §2 Basiswet). De noodzaak tot het opleggen van een bijzondere veiligheidsmaatregel na een tuchtsanctie kan slechts beoordeeld en beslist worden na het beëindigen van de tuchtsanctie (artikel 111, §3 Basiswet). De klachtencommissie stelt vast dat de directie in de motivering van de bijzondere veiligheidsmaatregel onder andere verwijst naar de twee RAD’s van 28 en 29 juni 2025. De klachtencommissie meent dat de vaststellingen zoals opgenomen in de RAD’s mogelijke tuchtinbreuken uitmaken: de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet). De directie had dan ook toepassing moeten maken van artikel 111, §2 Basiswet en eerst een tuchtprocedure moeten opstarten. De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe aangezien hetgeen door klager gevraagd werd (mutatie naar sectie 30) niet opportuun wordt geacht.