KC10/25-0094
Ongegrond
KC - Hasselt
Klachtencommissie
Voorlopige maatregel
Tucht
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - GETUIGE
Klager kreeg als voorlopige maatregel het verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte opgelegd op grond van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. De motivering hiervan luidde: “zeer ernstige bedreigingen naar personeelslid”. Hoewel de motivering in het voorliggend dossier zeer summier is, meent de klachtencommissie dat hieruit voldoende blijkt dat er sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. De opgelegde maatregel werd aldus afdoende gemotiveerd. Klager is het oneens met de voorlopige maatregel omdat, hoewel er in het RAD sprake was van het hanteren van een schaar om een beambte aan te vallen, er geen maatregel tot ontneming van scherpe voorwerpen werd aangeduid. Indien er effectief een ernstig gevaar zou bestaan dan zouden scherpe voorwerpen evident afgenomen zijn geworden, aldus klager. Klager ontkent evenwel dat hij enige uitspraak in die zin gedaan heeft. De klachtencommissie meent niet dat uit het ontbreken van een bijkomende voorlopige maatregel kan afgeleid worden dat de situatie zoals aangehaald in de motivering van de opgelegde voorlopige maatregel niet zou kloppen. Bovendien kon het gevaar voor het welbepaalde personeelslid over wie de bedreigingen handelden op voldoende wijze afgewend worden door de afzondering van klager in zijn verblijfsruimte, zonder hem daarbij ook nog bepaalde voorwerpen te ontnemen. De voorlopige maatregel voldoet aan artikel 145 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is ongegrond.
Inzake de tuchtbeslissing. De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op een RAD waarin wordt beschreven hoe de opsteller een melding kreeg van een beambte (A) dat klager bedreigingen over hem had geuit tegen een andere beambte (B). Deze andere beambte (B) was beambte (A) hierover komen waarschuwen. De opsteller heeft beambte (B) opgeroepen om de juiste versie van hem te horen. In de klacht werpt de advocaat namens klager op dat de motiveringsplicht geschonden werd omdat de directie niet ingaat op de ter tuchtzitting aangevoerde schending van artikel 144, §1 Basiswet. De klachtencommissie meent dat de vermeende schending van artikel 144, §1 Basiswet ter tuchtzitting helemaal niet op zodanig scherpe en duidelijke wijze aangevoerd werd als dat in de klacht het geval is. De klachtencommissie vindt het dan ook niet abnormaal dat de directie dit argument niet expliciet weerlegde in de tuchtbeslissing, doch het duidelijk naast zich neerlegde door alsnog voort te gaan op het RAD. De klachtencommissie meent ook dat de directie dit mocht doen. De klachtencommissie vindt het niet vreemd dat een beambte, die hiërarchisch overste is van degene die hem iets komt melden dat hij over zichzelf en een gedetineerde vernomen heeft van een andere beambte, niet zomaar (enkel) hetgeen hij van deze persoon te horen krijgt noteert, doch ook navraag gaat doen bij de andere beambte om te weten te komen wat de gedetineerde nu precies gezegd zou hebben. De opsteller van het RAD heeft volgens de klachtencommissie in elk geval niet in strijd met artikel 144, §1 Basiswet gehandeld, want hij stelde een rapport op over een inbreuk die hem ter kennis werd gebracht. Volgens de klachtencommissie legde hij hierbij de nodige zorgvuldigheid aan de dag door niet enkel informatie die hij “via via” had vernomen op te nemen doch het rapport met zo volledig mogelijke informatie te stofferen. De klachtencommissie stelt dan ook vast dat er geen tegenindicaties werden aangevoerd die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 2° Basiswet). Hoewel volgens de klachtencommissie een kwalificatie als bedreiging van de fysieke integriteit ook mogelijk was geweest, acht zij de kwalificatie van de feiten als bedreiging van de psychische integriteit ook correct aangezien er gesproken werd over het laten achtervolgen van de beambte. De kwalificatie is aldus correct en afdoende gemotiveerd. Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie en kreeg hiervoor 20 dagen ATV. De klachtencommissie acht de sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.
Klager kreeg als voorlopige maatregel het verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte opgelegd op grond van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. De motivering hiervan luidde: “zeer ernstige bedreigingen naar personeelslid”. Hoewel de motivering in het voorliggend dossier zeer summier is, meent de klachtencommissie dat hieruit voldoende blijkt dat er sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. De opgelegde maatregel werd aldus afdoende gemotiveerd. Klager is het oneens met de voorlopige maatregel omdat, hoewel er in het RAD sprake was van het hanteren van een schaar om een beambte aan te vallen, er geen maatregel tot ontneming van scherpe voorwerpen werd aangeduid. Indien er effectief een ernstig gevaar zou bestaan dan zouden scherpe voorwerpen evident afgenomen zijn geworden, aldus klager. Klager ontkent evenwel dat hij enige uitspraak in die zin gedaan heeft. De klachtencommissie meent niet dat uit het ontbreken van een bijkomende voorlopige maatregel kan afgeleid worden dat de situatie zoals aangehaald in de motivering van de opgelegde voorlopige maatregel niet zou kloppen. Bovendien kon het gevaar voor het welbepaalde personeelslid over wie de bedreigingen handelden op voldoende wijze afgewend worden door de afzondering van klager in zijn verblijfsruimte, zonder hem daarbij ook nog bepaalde voorwerpen te ontnemen. De voorlopige maatregel voldoet aan artikel 145 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is ongegrond.
Inzake de tuchtbeslissing. De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op een RAD waarin wordt beschreven hoe de opsteller een melding kreeg van een beambte (A) dat klager bedreigingen over hem had geuit tegen een andere beambte (B). Deze andere beambte (B) was beambte (A) hierover komen waarschuwen. De opsteller heeft beambte (B) opgeroepen om de juiste versie van hem te horen. In de klacht werpt de advocaat namens klager op dat de motiveringsplicht geschonden werd omdat de directie niet ingaat op de ter tuchtzitting aangevoerde schending van artikel 144, §1 Basiswet. De klachtencommissie meent dat de vermeende schending van artikel 144, §1 Basiswet ter tuchtzitting helemaal niet op zodanig scherpe en duidelijke wijze aangevoerd werd als dat in de klacht het geval is. De klachtencommissie vindt het dan ook niet abnormaal dat de directie dit argument niet expliciet weerlegde in de tuchtbeslissing, doch het duidelijk naast zich neerlegde door alsnog voort te gaan op het RAD. De klachtencommissie meent ook dat de directie dit mocht doen. De klachtencommissie vindt het niet vreemd dat een beambte, die hiërarchisch overste is van degene die hem iets komt melden dat hij over zichzelf en een gedetineerde vernomen heeft van een andere beambte, niet zomaar (enkel) hetgeen hij van deze persoon te horen krijgt noteert, doch ook navraag gaat doen bij de andere beambte om te weten te komen wat de gedetineerde nu precies gezegd zou hebben. De opsteller van het RAD heeft volgens de klachtencommissie in elk geval niet in strijd met artikel 144, §1 Basiswet gehandeld, want hij stelde een rapport op over een inbreuk die hem ter kennis werd gebracht. Volgens de klachtencommissie legde hij hierbij de nodige zorgvuldigheid aan de dag door niet enkel informatie die hij “via via” had vernomen op te nemen doch het rapport met zo volledig mogelijke informatie te stofferen. De klachtencommissie stelt dan ook vast dat er geen tegenindicaties werden aangevoerd die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 2° Basiswet). Hoewel volgens de klachtencommissie een kwalificatie als bedreiging van de fysieke integriteit ook mogelijk was geweest, acht zij de kwalificatie van de feiten als bedreiging van de psychische integriteit ook correct aangezien er gesproken werd over het laten achtervolgen van de beambte. De kwalificatie is aldus correct en afdoende gemotiveerd. Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie en kreeg hiervoor 20 dagen ATV. De klachtencommissie acht de sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.