KC10/25-0107
Gegrond
KC - Hasselt
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
SCHADE
In het voorliggend dossier werd aan klager een voorstel inzake een schadebedrag van “175/2 = 87,5 EUR” gedaan ter vergoeding van de klink van het raam, de rechterdeur van de lavabokast en de afscheidingswand naast de frigo die afgebroken zouden zijn. Opdat de penitentiaire administratie een schadevergoeding aan de gedetineerde kan vragen, er sprake moet zijn van materiële schade die door de fout van de gedetineerde veroorzaakt werd aan de voorwerpen die toebehoren aan de FOD Justitie (CB nr. 131, p.1). De vereiste van een fout van de gedetineerde veronderstelt dan ook dat de schade veroorzaakt werd door de kwaadwilligheid of nalatigheid van de gedetineerde (CB nr. 131, p.2).
De klachtencommissie neemt de volgende elementen in rekening:
- Er ligt géén schaderapport voor waarin de schade objectief wordt vastgesteld en beschreven. Het klachtenbureau kon dergelijk schaderapport ook niet in het dossier van klager vinden.
- Klager kaart aan dat er géén plaatsbeschrijving werd uitgevoerd alvorens hij zijn intrek nam in de cel. De directie legt de verantwoordelijkheid bij klager door te stellen dat noch de vorige bewoner, noch de beambten schade hebben gerapporteerd, en dat klager dit ook niet heeft gedaan bij het betreden van de cel. De directie vindt het op basis hiervan aannemelijk dat klager de schade heeft toegebracht. De klachtencommissie wijst erop dat het ontbreken van een plaatsbeschrijving in het voordeel van klager spreekt.
- Gelet op het gegeven dat er “175/2 EUR” wordt gevorderd en er een gelijkaardige klacht werd ingediend door de celgenoot van klager (KC10/25-0106) stelt de klachtencommissie vast dat een identieke schade aan de celgenoot van klager werd aangerekend. De klachtencommissie meent dan ook dat er onvoldoende vaststaat dat er sprake was van een fout in hoofde van klager.
- Nergens wordt er een berekening van de vergoeding vermeld. Nochtans kan enkel de residuele waarde van de goederen worden teruggevorderd (CB nr. 131, p. 2).
De klacht is gegrond. De bestreden beslissing om deze schadevergoeding van klager te eisen (met instemming dan wel via automatische afhouding) wordt vernietigd. Aangezien het bedrag wegens gebrek aan instemming van klager tot op heden nog niet kon worden ingehouden, is er geen sprake van gevolgen van de beslissing die niet ongedaan gemaakt kunnen worden. De voorwaarden voor het toekennen van een tegemoetkoming (artikel 158, §4, tweede lid Basiswet) zijn dan ook niet vervuld.
In het voorliggend dossier werd aan klager een voorstel inzake een schadebedrag van “175/2 = 87,5 EUR” gedaan ter vergoeding van de klink van het raam, de rechterdeur van de lavabokast en de afscheidingswand naast de frigo die afgebroken zouden zijn. Opdat de penitentiaire administratie een schadevergoeding aan de gedetineerde kan vragen, er sprake moet zijn van materiële schade die door de fout van de gedetineerde veroorzaakt werd aan de voorwerpen die toebehoren aan de FOD Justitie (CB nr. 131, p.1). De vereiste van een fout van de gedetineerde veronderstelt dan ook dat de schade veroorzaakt werd door de kwaadwilligheid of nalatigheid van de gedetineerde (CB nr. 131, p.2).
De klachtencommissie neemt de volgende elementen in rekening:
- Er ligt géén schaderapport voor waarin de schade objectief wordt vastgesteld en beschreven. Het klachtenbureau kon dergelijk schaderapport ook niet in het dossier van klager vinden.
- Klager kaart aan dat er géén plaatsbeschrijving werd uitgevoerd alvorens hij zijn intrek nam in de cel. De directie legt de verantwoordelijkheid bij klager door te stellen dat noch de vorige bewoner, noch de beambten schade hebben gerapporteerd, en dat klager dit ook niet heeft gedaan bij het betreden van de cel. De directie vindt het op basis hiervan aannemelijk dat klager de schade heeft toegebracht. De klachtencommissie wijst erop dat het ontbreken van een plaatsbeschrijving in het voordeel van klager spreekt.
- Gelet op het gegeven dat er “175/2 EUR” wordt gevorderd en er een gelijkaardige klacht werd ingediend door de celgenoot van klager (KC10/25-0106) stelt de klachtencommissie vast dat een identieke schade aan de celgenoot van klager werd aangerekend. De klachtencommissie meent dan ook dat er onvoldoende vaststaat dat er sprake was van een fout in hoofde van klager.
- Nergens wordt er een berekening van de vergoeding vermeld. Nochtans kan enkel de residuele waarde van de goederen worden teruggevorderd (CB nr. 131, p. 2).
De klacht is gegrond. De bestreden beslissing om deze schadevergoeding van klager te eisen (met instemming dan wel via automatische afhouding) wordt vernietigd. Aangezien het bedrag wegens gebrek aan instemming van klager tot op heden nog niet kon worden ingehouden, is er geen sprake van gevolgen van de beslissing die niet ongedaan gemaakt kunnen worden. De voorwaarden voor het toekennen van een tegemoetkoming (artikel 158, §4, tweede lid Basiswet) zijn dan ook niet vervuld.