TUCHT
De klacht betreft een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Hasselt.
De tuchtbeslissing werd opgelegd naar aanleiding van de feiten die in een rapport aan de directeur (hierna: RAD) beschreven worden. Na het horen van klager werd door de directie een beslissing genomen. Klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 14 dagen ATV, omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan de inbreuk van de eerste categorie “de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen of de bedreiging daarmee” en de inbreuk van de tweede categorie “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”.
Wat betreft de kwalificatie “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” stelt de klachtencommissie vast dat de directie geen melding maakt (noch in haar tuchtbeslissing, noch in haar schriftelijk verweer) van welke voorgeschreven bepalingen geschonden worden door klager. De klachtencommissie stelt tevens vast dat uit de motivering van de tuchtbeslissing niet blijkt welke bepalingen van het huishoudelijk reglement het precies betreft.
Het is belangrijk dat de gedetineerde op basis van de gegeven motivatie begrijpt wat de beslissing inhoudt en waarom deze werd genomen.
Klager kon onmogelijk de precieze draagwijdte kennen van de ten aanzien van hem genomen tuchtbeslissing voor wat betreft voornoemde kwalificatie “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” daar de bepalingen van het huishoudelijk reglement die volgens de directie geschonden waren niet werden aangeduid. Deze tuchtinbreuk kan dan ook niet worden weerhouden. De klachtencommissie draagt de directie daarom op om de kwalificatie van de tuchtsanctie aan te passen in het tuchtregister van klager.
De directie kon de feiten wel omschrijven als de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen of de bedreiging daarmee.
De waarnemingen, die voldoende zorgvuldig werden gedaan, kunnen als basis dienen voor de tuchtbeslissing. Klager brengt geen overtuigende argumenten aan die gerede twijfel doen ontstaan over deze vaststellingen van de beambten, zoals genoteerd in het RAD. De klachtencommissie meent dat de directie de feiten redelijkerwijze als bewezen kon verklaren. De waarnemingen door de beambten werden volgens de klachtencommissie voldoende geïndividualiseerd en geobjectiveerd. De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. De klachtencommissie acht de tuchtinbreuk dan ook bewezen en meent dat de directie deze aan klager kon toerekenen.
Klager kon voor deze tuchtinbreuken maximaal 30 dagen ATV opleggen. Klager kreeg 14 dagen ATV wat niet overkomt als een onredelijke tuchtsanctie die in verhouding staat tot de gepleegde inbreuk. De klachtencommissie stelt vast dat de directie met de omvang van de feiten rekening heeft gehouden.
Om bovenstaande redenen, is de klacht gedeeltelijk gegrond, wat betreft de kwalificatie van de feiten als “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”. Voor het overige blijft de tuchtsanctie overeind.
De klacht betreft een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Hasselt.
De tuchtbeslissing werd opgelegd naar aanleiding van de feiten die in een rapport aan de directeur (hierna: RAD) beschreven worden. Na het horen van klager werd door de directie een beslissing genomen. Klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 14 dagen ATV, omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan de inbreuk van de eerste categorie “de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen of de bedreiging daarmee” en de inbreuk van de tweede categorie “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”.
Wat betreft de kwalificatie “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” stelt de klachtencommissie vast dat de directie geen melding maakt (noch in haar tuchtbeslissing, noch in haar schriftelijk verweer) van welke voorgeschreven bepalingen geschonden worden door klager. De klachtencommissie stelt tevens vast dat uit de motivering van de tuchtbeslissing niet blijkt welke bepalingen van het huishoudelijk reglement het precies betreft.
Het is belangrijk dat de gedetineerde op basis van de gegeven motivatie begrijpt wat de beslissing inhoudt en waarom deze werd genomen.
Klager kon onmogelijk de precieze draagwijdte kennen van de ten aanzien van hem genomen tuchtbeslissing voor wat betreft voornoemde kwalificatie “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” daar de bepalingen van het huishoudelijk reglement die volgens de directie geschonden waren niet werden aangeduid. Deze tuchtinbreuk kan dan ook niet worden weerhouden. De klachtencommissie draagt de directie daarom op om de kwalificatie van de tuchtsanctie aan te passen in het tuchtregister van klager.
De directie kon de feiten wel omschrijven als de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen of de bedreiging daarmee.
De waarnemingen, die voldoende zorgvuldig werden gedaan, kunnen als basis dienen voor de tuchtbeslissing. Klager brengt geen overtuigende argumenten aan die gerede twijfel doen ontstaan over deze vaststellingen van de beambten, zoals genoteerd in het RAD. De klachtencommissie meent dat de directie de feiten redelijkerwijze als bewezen kon verklaren. De waarnemingen door de beambten werden volgens de klachtencommissie voldoende geïndividualiseerd en geobjectiveerd. De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. De klachtencommissie acht de tuchtinbreuk dan ook bewezen en meent dat de directie deze aan klager kon toerekenen.
Klager kon voor deze tuchtinbreuken maximaal 30 dagen ATV opleggen. Klager kreeg 14 dagen ATV wat niet overkomt als een onredelijke tuchtsanctie die in verhouding staat tot de gepleegde inbreuk. De klachtencommissie stelt vast dat de directie met de omvang van de feiten rekening heeft gehouden.
Om bovenstaande redenen, is de klacht gedeeltelijk gegrond, wat betreft de kwalificatie van de feiten als “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”. Voor het overige blijft de tuchtsanctie overeind.