TUCHT - RECHTEN VAN VERDEDIGING
De klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing. Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens:
- Het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (tuchtinbreuk tweede categorie)
- Het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel (tuchtinbreuk tweede categorie)
Klager wenste op de tuchtrechtelijke hoorzitting te worden bijgestaan door een advocaat en de naam van Mr. Meyers werd op het formulier ingevuld. Uit de stukken blijkt dat de raadsman van klager vervolgens nog op 16.10.2025 werd uitgenodigd. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat klager bij aanvang van de zitting verklaard heeft dat hij geen hoorzitting doet zonder advocaat. De directie antwoordde hierop dat zij de raadsman had uitgenodigd en dat zij de hoorzitting ging laten doorgaan omdat de advocaat niets had laten weten. Hierop verliet klager vroegtijdig de zitting en zei hij dat hij naar de klachtencommissie zou gaan.
De Basiswet bepaalt dat een gedetineerde het recht heeft om zich tijdens de tuchtprocedure te laten bijstaan door een advocaat. Het recht van verdediging is een algemeen beginsel van openbare orde dat bindend is voor elke administratieve autoriteit die in tuchtzaken beslist, dus ook voor de gevangenisdirecteur tijdens een tuchtprocedure. Het is de verantwoordelijkheid van de gevangenisdirectie om, voor zover mogelijk, de daadwerkelijke aanwezigheid van de raadsman te verzekeren. In principe wordt aanvaard dat de gevangenisadministratie passende maatregelen heeft genomen om het recht op bijstand van een advocaat in de tuchtprocedure te waarborgen, wanneer zij aan de advocaat de datum en het tijdstip van de tuchtzitting heeft meegedeeld, uiterlijk één werkdag voorafgaand voor een zitting van de volgende dag.
Hoewel uit het administratief dossier blijkt dat de directie de opgegeven raadsman behoorlijk en tijdig heeft opgeroepen, dient de directie zich te verzekeren van het feit dat een gedetineerde ondubbelzinnig afstand doet van zijn fundamenteel bijstandsrecht. Op basis van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting besluit de klachtencommissie dat klager absoluut geen afstand deed van zijn recht op bijstand.
Aangezien de reden van de afwezigheid van de opgegeven raadsman niet bij klager lag, is het onredelijk dat de directie in de gegeven omstandigheden geen eenmalig uitstel toekende, vooral omdat er geen voorlopige maatregel was opgelegd. Het verslag van de hoorzitting bevat ook geen reden waarom men geen kort uitstel wou verlenen. Een andere optie was dat klager beroep kon doen op de advocaat die van tuchtpermanentie was.
De klachtencommissie besluit dat het recht van verdediging van klager werd geschonden doordat hem een tuchtsanctie werd opgelegd zonder dat hij bij zijn verdediging door een advocaat werd bijgestaan. De klacht is bijgevolg gegrond.
De klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing. Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens:
- Het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (tuchtinbreuk tweede categorie)
- Het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel (tuchtinbreuk tweede categorie)
Klager wenste op de tuchtrechtelijke hoorzitting te worden bijgestaan door een advocaat en de naam van Mr. Meyers werd op het formulier ingevuld. Uit de stukken blijkt dat de raadsman van klager vervolgens nog op 16.10.2025 werd uitgenodigd. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat klager bij aanvang van de zitting verklaard heeft dat hij geen hoorzitting doet zonder advocaat. De directie antwoordde hierop dat zij de raadsman had uitgenodigd en dat zij de hoorzitting ging laten doorgaan omdat de advocaat niets had laten weten. Hierop verliet klager vroegtijdig de zitting en zei hij dat hij naar de klachtencommissie zou gaan.
De Basiswet bepaalt dat een gedetineerde het recht heeft om zich tijdens de tuchtprocedure te laten bijstaan door een advocaat. Het recht van verdediging is een algemeen beginsel van openbare orde dat bindend is voor elke administratieve autoriteit die in tuchtzaken beslist, dus ook voor de gevangenisdirecteur tijdens een tuchtprocedure. Het is de verantwoordelijkheid van de gevangenisdirectie om, voor zover mogelijk, de daadwerkelijke aanwezigheid van de raadsman te verzekeren. In principe wordt aanvaard dat de gevangenisadministratie passende maatregelen heeft genomen om het recht op bijstand van een advocaat in de tuchtprocedure te waarborgen, wanneer zij aan de advocaat de datum en het tijdstip van de tuchtzitting heeft meegedeeld, uiterlijk één werkdag voorafgaand voor een zitting van de volgende dag.
Hoewel uit het administratief dossier blijkt dat de directie de opgegeven raadsman behoorlijk en tijdig heeft opgeroepen, dient de directie zich te verzekeren van het feit dat een gedetineerde ondubbelzinnig afstand doet van zijn fundamenteel bijstandsrecht. Op basis van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting besluit de klachtencommissie dat klager absoluut geen afstand deed van zijn recht op bijstand.
Aangezien de reden van de afwezigheid van de opgegeven raadsman niet bij klager lag, is het onredelijk dat de directie in de gegeven omstandigheden geen eenmalig uitstel toekende, vooral omdat er geen voorlopige maatregel was opgelegd. Het verslag van de hoorzitting bevat ook geen reden waarom men geen kort uitstel wou verlenen. Een andere optie was dat klager beroep kon doen op de advocaat die van tuchtpermanentie was.
De klachtencommissie besluit dat het recht van verdediging van klager werd geschonden doordat hem een tuchtsanctie werd opgelegd zonder dat hij bij zijn verdediging door een advocaat werd bijgestaan. De klacht is bijgevolg gegrond.