KC10/25-0172
Ongegrond
Onontvankelijk
KC - Hasselt
Klachtencommissie
Tucht
Geen beslissing directeur
TUCHT - MOTIVERING - GEEN BESLISSING DIRECTEUR - BEVOEGDHEID - HUISHOUDELIJK REGLEMENT
Klaagster kreeg bij tuchtbeslissing van 29 oktober 2025 een tuchtsanctie van 10 dagen ATV voor het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet) en het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Klaagster en haar advocaat brachten ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten ten eerste als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie oordeelt dat deze kwalificatie correct is en afdoende gemotiveerd werd. De directie kwalificeerde de feiten ten tweede als het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie veronderstelt dat deze kwalificatie terugslaat op het bezit van de ring die niet op klaagster haar fiche staat, doch wijst erop dat de tuchtbeslissing hier niet erg duidelijk over is. De klachtencommissie meent dan ook dat deze tweede kwalificatie niet afdoende gemotiveerd werd. De directie haalt met name geen concrete bepaling uit het huishoudelijk reglement aan waarop klaagster een inbreuk zou gepleegd hebben. De klachtencommissie oordeelt dat deze kwalificatie geschrapt dient te worden. Klaagster pleegde één inbreuk van de eerste en één van de tweede categorie en kreeg 10 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie, zelfs indien ze enkel voor de inbreuk van artikel 129, 7° Basiswet wordt opgelegd, wettelijk en redelijk. De klacht is gedeeltelijk gegrond. De klachtencommissie beslist tot de gedeeltelijke vernietiging (artikel 158, §3, 3° Basiswet) van de tuchtbeslissing voor wat betreft de inbreuk van artikel 130, 2° Basiswet en het gedeelte van de motivering dat hierover handelt. De tuchtbeslissing blijft overeind voor wat betreft de inbreuk van artikel 129, 7° Basiswet, de motivering hiervan en de opgelegde tuchtsanctie van 10 dagen ATV.
Klaagster beklaagt zich over de inbeslagname van haar verlovingsring. De klachtencommissie leest in het RAD van 23 oktober 2025 dat klaagster de verlovingsring van haar vriend kreeg ter gelegenheid van een bezoek. Hoewel klaagster nadien ter tuchtzitting en in haar klacht stelde dat ze deze ring sinds haar aankomst in Hasselt altijd al in haar bezit had, meent de klachtencommissie dat deze (latere) verklaring weinig geloofwaardig is.
In het RAD wordt vermeld dat de ring door de beambte werd afgenomen en aan het RAD werd gevoegd. De directie stelt in haar verweer dat de ring werd gedeponeerd op naam van klaagster en dat ze deze kan afhalen als ze uit de gevangenis vertrekt. Volgens de klachtencommissie was er in het voorliggend dossier dan ook sprake van de toepassing van een algemene regel uit het huishoudelijk reglement (p. 9). Er werd geen geïndividualiseerde beslissing door of namens de directeur in de zin van artikel 148 Basiswet genomen. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klaagster kreeg bij tuchtbeslissing van 29 oktober 2025 een tuchtsanctie van 10 dagen ATV voor het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet) en het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Klaagster en haar advocaat brachten ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten ten eerste als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie oordeelt dat deze kwalificatie correct is en afdoende gemotiveerd werd. De directie kwalificeerde de feiten ten tweede als het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie veronderstelt dat deze kwalificatie terugslaat op het bezit van de ring die niet op klaagster haar fiche staat, doch wijst erop dat de tuchtbeslissing hier niet erg duidelijk over is. De klachtencommissie meent dan ook dat deze tweede kwalificatie niet afdoende gemotiveerd werd. De directie haalt met name geen concrete bepaling uit het huishoudelijk reglement aan waarop klaagster een inbreuk zou gepleegd hebben. De klachtencommissie oordeelt dat deze kwalificatie geschrapt dient te worden. Klaagster pleegde één inbreuk van de eerste en één van de tweede categorie en kreeg 10 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie, zelfs indien ze enkel voor de inbreuk van artikel 129, 7° Basiswet wordt opgelegd, wettelijk en redelijk. De klacht is gedeeltelijk gegrond. De klachtencommissie beslist tot de gedeeltelijke vernietiging (artikel 158, §3, 3° Basiswet) van de tuchtbeslissing voor wat betreft de inbreuk van artikel 130, 2° Basiswet en het gedeelte van de motivering dat hierover handelt. De tuchtbeslissing blijft overeind voor wat betreft de inbreuk van artikel 129, 7° Basiswet, de motivering hiervan en de opgelegde tuchtsanctie van 10 dagen ATV.
Klaagster beklaagt zich over de inbeslagname van haar verlovingsring. De klachtencommissie leest in het RAD van 23 oktober 2025 dat klaagster de verlovingsring van haar vriend kreeg ter gelegenheid van een bezoek. Hoewel klaagster nadien ter tuchtzitting en in haar klacht stelde dat ze deze ring sinds haar aankomst in Hasselt altijd al in haar bezit had, meent de klachtencommissie dat deze (latere) verklaring weinig geloofwaardig is.
In het RAD wordt vermeld dat de ring door de beambte werd afgenomen en aan het RAD werd gevoegd. De directie stelt in haar verweer dat de ring werd gedeponeerd op naam van klaagster en dat ze deze kan afhalen als ze uit de gevangenis vertrekt. Volgens de klachtencommissie was er in het voorliggend dossier dan ook sprake van de toepassing van een algemene regel uit het huishoudelijk reglement (p. 9). Er werd geen geïndividualiseerde beslissing door of namens de directeur in de zin van artikel 148 Basiswet genomen. De klacht is niet-ontvankelijk.