KC10/25-0173
Gegrond
KC - Hasselt
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
ARBEID - ONTSLAG - MOTIVERING - HOORPLICHT - VERBODEN SUBSTANTIES
De klacht is gericht tegen de beslissing van de directie om klager te ontslaan uit de keuken. Uit de schriftelijke ontslagbeslissing blijkt dat de aanleiding voor het ontslag van klager was dat er tijdens een fouille aan de kledij van klager voorafgaand aan zijn werkdag twee pilletjes en een papieren buisje werden gevonden. Deze feiten werden ook gerapporteerd in een RAD. In zijn klacht heeft klager niets vermeld over het papieren buisje. Hij heeft enkel een verklaring gegeven voor de pilletjes. Dat was zijn medicatie die hij iedere dag inneemt. De directie was van oordeel dat er door deze feiten sprake was van een vertrouwensbreuk waardoor zij klager heeft ontslagen. Deze reden werd ook weergegeven in de schriftelijke ontslagbeslissing die
aan klager werd bezorgd. Op de vraag van de klachtencommissie of klager werd gehoord voorafgaand aan de ontslagbeslissing antwoordde de directie dat dat niet het geval was. Omdat klager in zijn klacht heeft verklaard dat hij wist dat hij hiervoor een tuchtsanctie zou krijgen en klager eventueel tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting zijn opmerkingen heeft kunnen geven over het voornemen van de directie om hem te ontslaan, heeft de klachtencommissie aan de directie gevraagd om het tuchtdossier te bezorgen. De directie liet echter weten dat klager niet tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd ingevolge het RAD.
Gelet op het feit dat een personeelslid vermoedde dat het bezit van twee pilletjes en een papieren buisje een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakte en hiervoor bijgevolg een RAD heeft opgesteld, gelet op het feit dat klager zelf in de veronderstelling was dat er tuchtrechtelijk gevolg zou gegeven worden aan het RAD, gelet op het feit dat de directie daarentegen geen tuchtprocedure heeft opgestart en het bijgevolg niet is bewezen dat klager in het bezit was van wettelijk verboden middelen of opgespaarde medicatie, meent de klachtencommissie dat de directie in de ontslagbeslissing niet afdoende heeft gemotiveerd waarom de niet-bewezen feiten een vertrouwensbreuk betekenden in die mate dat klager niet langer geschikt werd geacht om in de keuken te werken. Daarenboven blijkt dat klager op geen enkel moment in de mogelijkheid werd gesteld om zijn standpunt uiteen te zetten over de medicatie en het papieren buisje. Nochtans meent de klachtencommissie dat de directie in het kader van het ongeschreven beginsel van behoorlijk bestuur van de hoorplicht alsnog verplicht was om klager te horen. De klachtencommissie is van oordeel dat het horen van klager nuttig was geweest in die zin dat zij de te nemen beslissing nog had kunnen beïnvloeden. De klachtencommissie besluit dat de directie de motiveringsplicht uit artikel 8 van de Basiswet en het ongeschreven beginsel van behoorlijk bestuur van de hoorplicht heeft geschonden. Tot slot acht de klachtencommissie de omstandigheid dat klager werd ontslagen voor ogenschijnlijk ten laste gelegde tuchtrechtelijke feiten zonder dat hij hiervoor evenwel tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd, onredelijk en onbillijk. Om deze redenen is de klacht ontvankelijk en gegrond. De klachtencommissie vernietigt de ontslagbeslissing. Dit betekent dat klager zijn job als medewerker in de keuken onmiddellijk herneemt, indien er plaats is. Indien er geen plaats is, dient klager bovenaan de wachtlijst voor de keuken geplaatst te worden.
De klacht is gericht tegen de beslissing van de directie om klager te ontslaan uit de keuken. Uit de schriftelijke ontslagbeslissing blijkt dat de aanleiding voor het ontslag van klager was dat er tijdens een fouille aan de kledij van klager voorafgaand aan zijn werkdag twee pilletjes en een papieren buisje werden gevonden. Deze feiten werden ook gerapporteerd in een RAD. In zijn klacht heeft klager niets vermeld over het papieren buisje. Hij heeft enkel een verklaring gegeven voor de pilletjes. Dat was zijn medicatie die hij iedere dag inneemt. De directie was van oordeel dat er door deze feiten sprake was van een vertrouwensbreuk waardoor zij klager heeft ontslagen. Deze reden werd ook weergegeven in de schriftelijke ontslagbeslissing die
aan klager werd bezorgd. Op de vraag van de klachtencommissie of klager werd gehoord voorafgaand aan de ontslagbeslissing antwoordde de directie dat dat niet het geval was. Omdat klager in zijn klacht heeft verklaard dat hij wist dat hij hiervoor een tuchtsanctie zou krijgen en klager eventueel tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting zijn opmerkingen heeft kunnen geven over het voornemen van de directie om hem te ontslaan, heeft de klachtencommissie aan de directie gevraagd om het tuchtdossier te bezorgen. De directie liet echter weten dat klager niet tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd ingevolge het RAD.
Gelet op het feit dat een personeelslid vermoedde dat het bezit van twee pilletjes en een papieren buisje een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakte en hiervoor bijgevolg een RAD heeft opgesteld, gelet op het feit dat klager zelf in de veronderstelling was dat er tuchtrechtelijk gevolg zou gegeven worden aan het RAD, gelet op het feit dat de directie daarentegen geen tuchtprocedure heeft opgestart en het bijgevolg niet is bewezen dat klager in het bezit was van wettelijk verboden middelen of opgespaarde medicatie, meent de klachtencommissie dat de directie in de ontslagbeslissing niet afdoende heeft gemotiveerd waarom de niet-bewezen feiten een vertrouwensbreuk betekenden in die mate dat klager niet langer geschikt werd geacht om in de keuken te werken. Daarenboven blijkt dat klager op geen enkel moment in de mogelijkheid werd gesteld om zijn standpunt uiteen te zetten over de medicatie en het papieren buisje. Nochtans meent de klachtencommissie dat de directie in het kader van het ongeschreven beginsel van behoorlijk bestuur van de hoorplicht alsnog verplicht was om klager te horen. De klachtencommissie is van oordeel dat het horen van klager nuttig was geweest in die zin dat zij de te nemen beslissing nog had kunnen beïnvloeden. De klachtencommissie besluit dat de directie de motiveringsplicht uit artikel 8 van de Basiswet en het ongeschreven beginsel van behoorlijk bestuur van de hoorplicht heeft geschonden. Tot slot acht de klachtencommissie de omstandigheid dat klager werd ontslagen voor ogenschijnlijk ten laste gelegde tuchtrechtelijke feiten zonder dat hij hiervoor evenwel tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd, onredelijk en onbillijk. Om deze redenen is de klacht ontvankelijk en gegrond. De klachtencommissie vernietigt de ontslagbeslissing. Dit betekent dat klager zijn job als medewerker in de keuken onmiddellijk herneemt, indien er plaats is. Indien er geen plaats is, dient klager bovenaan de wachtlijst voor de keuken geplaatst te worden.