TUCHT - BEWIJS - SANCTIE
De klachtencommissie heeft kennisgenomen van het tuchtdossier. Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens de opzettelijke aantasting van de orde. Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt dat de gevangenisdirectie zich bij het bewezen verklaren van de feiten heeft gebaseerd op de vaststellingen in het RAD alsook op de verklaring en de houding van klager tijdens de tuchtzitting. Klager en zijn advocaat zijn van oordeel dat de directie de kwartierchef en de betrokken cipiers had moeten horen omdat volgens hen de vaststellingen in het RAD niet kloppen. De directie is niet verplicht om bijkomende onderzoeksdaden te verrichten indien zij meent dat het RAD voldoende duidelijk is. De klachtencommissie meent dat dit het geval is aangezien uit het RAD duidelijk blijkt dat klager instructies van een beambte niet wou uitvoeren en dat hij verbaal uithaalde naar de beambte waardoor men vreesde dat door klager zijn opstandige houding de sereniteit van de beweging naar de wandeling, in het gedrang kwam. Aan klager werd daarom gevraagd om in plaats van naar de wandeling te gaan, terug te keren naar zijn cel.
In de klacht heeft de advocaat zelf verklaard dat klager zijn badge niet wou laten zien aan de beambte die het hem vroeg maar wel aan de beambte die de kledijfouille uitvoerde. Volgens klager kwam dat omdat de beambte die de vraag stelde, klager op een onbeleefde manier benaderde en de beambte zelf niet in regel was omdat zijn badge niet zichtbaar was. De klachtencommissie bevestigt dat zowel gedetineerden als personeel zich moeten identificeren. De vraag van de beambte aan klager om zijn badge te laten zien was bijgevolg legitiem. Indien het klopt dat de beambte zelf geen identificatiemiddel droeg, is dit een fout maar de manier waarop klager dit aankaartte is ontoelaatbaar. De klachtencommissie besluit dat de manier van reageren van klager wel degelijk een aantasting van de orde was en dat dit geen eenmalige uitspatting betrof gelet op het explosieve karakter van de tuchtrechtelijke hoorzitting. De directie heeft terecht de feiten bewezen verklaard en de tuchtinbreuk aan klager toegerekend. De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van zeven dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig en zelfs mild. De Basiswet laat overigens toe dat de directeur kan bepalen dat de met uitstel uitgesproken tuchtsanctie geheel of gedeeltelijk ten uitvoer wordt gelegd bij het niet naleven van de aan het uitstel verbonden voorwaarden. De directeur heeft beslist dat de voorwaardelijke tuchtsanctie van veertien dagen ATV, die werd opgelegd op 31.12.2025, ten uitvoer wordt gebracht. Dit is een wettelijke beslissing. Dit betekent dat klager in totaal 21 dagen ATV had hetgeen de wettelijke maximumtermijn van dertig dagen niet overschrijdt.
Om deze redenen is de klacht ongegrond.
De klachtencommissie heeft kennisgenomen van het tuchtdossier. Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens de opzettelijke aantasting van de orde. Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt dat de gevangenisdirectie zich bij het bewezen verklaren van de feiten heeft gebaseerd op de vaststellingen in het RAD alsook op de verklaring en de houding van klager tijdens de tuchtzitting. Klager en zijn advocaat zijn van oordeel dat de directie de kwartierchef en de betrokken cipiers had moeten horen omdat volgens hen de vaststellingen in het RAD niet kloppen. De directie is niet verplicht om bijkomende onderzoeksdaden te verrichten indien zij meent dat het RAD voldoende duidelijk is. De klachtencommissie meent dat dit het geval is aangezien uit het RAD duidelijk blijkt dat klager instructies van een beambte niet wou uitvoeren en dat hij verbaal uithaalde naar de beambte waardoor men vreesde dat door klager zijn opstandige houding de sereniteit van de beweging naar de wandeling, in het gedrang kwam. Aan klager werd daarom gevraagd om in plaats van naar de wandeling te gaan, terug te keren naar zijn cel.
In de klacht heeft de advocaat zelf verklaard dat klager zijn badge niet wou laten zien aan de beambte die het hem vroeg maar wel aan de beambte die de kledijfouille uitvoerde. Volgens klager kwam dat omdat de beambte die de vraag stelde, klager op een onbeleefde manier benaderde en de beambte zelf niet in regel was omdat zijn badge niet zichtbaar was. De klachtencommissie bevestigt dat zowel gedetineerden als personeel zich moeten identificeren. De vraag van de beambte aan klager om zijn badge te laten zien was bijgevolg legitiem. Indien het klopt dat de beambte zelf geen identificatiemiddel droeg, is dit een fout maar de manier waarop klager dit aankaartte is ontoelaatbaar. De klachtencommissie besluit dat de manier van reageren van klager wel degelijk een aantasting van de orde was en dat dit geen eenmalige uitspatting betrof gelet op het explosieve karakter van de tuchtrechtelijke hoorzitting. De directie heeft terecht de feiten bewezen verklaard en de tuchtinbreuk aan klager toegerekend. De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van zeven dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig en zelfs mild. De Basiswet laat overigens toe dat de directeur kan bepalen dat de met uitstel uitgesproken tuchtsanctie geheel of gedeeltelijk ten uitvoer wordt gelegd bij het niet naleven van de aan het uitstel verbonden voorwaarden. De directeur heeft beslist dat de voorwaardelijke tuchtsanctie van veertien dagen ATV, die werd opgelegd op 31.12.2025, ten uitvoer wordt gebracht. Dit is een wettelijke beslissing. Dit betekent dat klager in totaal 21 dagen ATV had hetgeen de wettelijke maximumtermijn van dertig dagen niet overschrijdt.
Om deze redenen is de klacht ongegrond.