TUCHT - RECHT VAN VERDEDIGING - MOTIVERING - TERMIJN
Uit de dossierstukken blijkt dat er door de directeur ten aanzien van klager een tuchtbeslissing werd uitgesproken waarbij klager dertig dagen ATV kreeg opgelegd. Deze tuchtrechtelijke veroordeling komt er naar aanleiding van feiten die in de tuchtbeslissing worden omschreven als “vondst: 2 I-phones, compustick, usb stick, ringsleutel, u-vormige schroevendraaier, 2 pinnetjes voor simkaart houder, schroevendraaiers, superlijm, bolletje hasj tijdens celcontrole FGP Limburg”. De klachtencommissie stelt vast dat in de klacht geen inhoudelijke betwisting wordt gevoerd. Ook uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt niet dat klager ontkent dat die voorwerpen in zijn cel lagen en dat die van hem waren. Klager en zijn raadsman werpen daarentegen wel verschillende procedurele middelen op. In eerste instantie menen klager en zijn raadsman dat het resultaat van de huiszoeking niet had mogen meegedeeld worden aan de gevangenisdirectie en het gevangenispersoneel omdat de huiszoeking werd uitgevoerd in het kader van een gerechtelijk onderzoek dat geheim is. In het Wetboek van Strafvordering wordt vermeld dat behoudens de wettelijke uitzonderingen het gerechtelijk onderzoek geheim is. Eenieder die beroepshalve zijn medewerking dient te verlenen aan het gerechtelijk onderzoek is tot geheimhouding verplicht. Hij die dit geheim schendt, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek. Anderzijds voorziet de Basiswet dat samenloop van een tuchtrechtelijke inbreuk en een misdrijf de tuchtprocedure en de mogelijkheid van tuchtrechtelijke bestraffing niet in de weg staat. Daarenboven heeft de gevangenisdirectie op grond van de Basiswet de wettelijke opdracht om de orde en de veiligheid in de inrichting te verzekeren en doet dit door onder andere de controle op verboden voorwerpen zoals gsm’s en drugs. Ook de politie heeft een wettelijke veiligheidsopdracht.
Wanneer de gerechtelijke politie derhalve informatie bezit dat een gedetineerde verboden voorwerpen in zijn cel heeft of zal verkrijgen, bestaat er een duidelijke functionele noodzaak om die informatie, beperkt tot de loutere elementen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het bestaan van een tuchtrechtelijke inbreuk, mee te delen aan de gevangenisdirectie. De klachtencommissie meent dat de inhoud van het RAD hieraan voldoet aangezien er enkel een oplijsting wordt gegeven van de voorwerpen die in de cel van klager werden teruggevonden. Of de mededeling van de FGP meer informatie bevatte dan deze oplijsting, weet de klachtencommissie niet maar indien dit het geval was, kan deze schending van het geheim van het gerechtelijk onderzoek niet verweten worden aan de gevangenisdirectie en haar personeel. De klachtencommissie besluit derhalve dat de uitwisseling van deze informatie een uitvoering is van de wettelijke veiligheidsopdrachten van politie én gevangenisdirectie, noodzakelijk voor de orde en veiligheid, zodat de gevangenisdirectie zich terecht kon steunen op de meegedeelde informatie.
Vervolgens klagen klager en zijn raadsman aan dat zij de mail van de FGP aan de gevangenisdirectie niet hebben gezien. Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt dat de directie zich voor het bewezen verklaren van de tuchtinbreuken enkel heeft gebaseerd op het RAD van 04.05.2026. De directeur mag zich voor het bewijs van een tuchtinbreuk steunen op vaststellingen van haar personeel indien deze vaststellingen voldoende zorgvuldig zijn en de gedetineerde geen overtuigende tegenargumenten aanbrengt waardoor er twijfel bestaat over de juistheid van de informatie opgenomen in het RAD. De klachtencommissie is van oordeel dat het RAD uitgebreid en gedetailleerd werd opgesteld zonder dat de daarin opgenomen vaststellingen voor interpretatie vatbaar zijn. Aangezien dit RAD volstond als zorgvuldig bewijsmateriaal, is de klachtencommissie van oordeel dat de mededeling van de mail van de FGP aan klager en zijn raadsman niet vereist was in het kader van een zorgvuldige feitenvinding.
Verder zijn klager en zijn raadsman van oordeel dat de termijnen van de tuchtprocedure werden overschreden zodat klager niet meer mocht gesanctioneerd worden. De klachtencommissie stelt vast dat de directie op 05.05.2026 kennisnam van het RAD dat op 04.05.2026 werd opgesteld. Dat betekent dat de directie ten laatste op 12.05.2026 klager in kennis moest stellen van het feit dat een tuchtprocedure werd opgestart en hem uitnodigen voor een tuchtrechtelijke hoorzitting die uiterlijk zeven dagen na deze kennisgeving moest plaatsvinden. Aangezien de tuchtbeslissing dateert van 11.05.2026, stelt de klachtencommissie vast dat de termijnen uit de Basiswet werden nageleefd.
Klager en zijn raadsman uitten tot slot kritiek op de manier waarop het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting en de motivering van de tuchtbeslissing werden opgemaakt. Hoewel de klachtencommissie inderdaad moet vaststellen dat in het verslag van de hoorzitting niet wordt vermeld dat er eerst een zitting was op 08.05.2026, wat er toen verklaard is geweest, dat de zitting vervolgens naar 11.05.2026 werd uitgesteld en de reden voor dit uitstel, meent de klachtencommissie dat deze elementen voldoende blijken uit de verklaring van de raadsman zoals genoteerd in het verslag van de hoorzitting. Daarnaast is de klachtencommissie van oordeel dat de ingeroepen argumenten van klager en zijn raadsman bijzonder summier worden weergegeven in de motivering van de tuchtbeslissing en dat de keuze voor de sanctie niet wordt uitgelegd, maar dat de motivering desalniettemin de elementen bevat die klager toelaten te begrijpen voor welke feiten hij is gesanctioneerd, waarom die feiten bewezen worden geacht en waarom die feiten een tuchtinbreuk uitmaken.
Om deze redenen besluit de klachtencommissie dat de tuchtbeslissing wettig is waardoor de klacht ongegrond is. De tuchtbeslissing blijft bestaan.
Uit de dossierstukken blijkt dat er door de directeur ten aanzien van klager een tuchtbeslissing werd uitgesproken waarbij klager dertig dagen ATV kreeg opgelegd. Deze tuchtrechtelijke veroordeling komt er naar aanleiding van feiten die in de tuchtbeslissing worden omschreven als “vondst: 2 I-phones, compustick, usb stick, ringsleutel, u-vormige schroevendraaier, 2 pinnetjes voor simkaart houder, schroevendraaiers, superlijm, bolletje hasj tijdens celcontrole FGP Limburg”. De klachtencommissie stelt vast dat in de klacht geen inhoudelijke betwisting wordt gevoerd. Ook uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt niet dat klager ontkent dat die voorwerpen in zijn cel lagen en dat die van hem waren. Klager en zijn raadsman werpen daarentegen wel verschillende procedurele middelen op. In eerste instantie menen klager en zijn raadsman dat het resultaat van de huiszoeking niet had mogen meegedeeld worden aan de gevangenisdirectie en het gevangenispersoneel omdat de huiszoeking werd uitgevoerd in het kader van een gerechtelijk onderzoek dat geheim is. In het Wetboek van Strafvordering wordt vermeld dat behoudens de wettelijke uitzonderingen het gerechtelijk onderzoek geheim is. Eenieder die beroepshalve zijn medewerking dient te verlenen aan het gerechtelijk onderzoek is tot geheimhouding verplicht. Hij die dit geheim schendt, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek. Anderzijds voorziet de Basiswet dat samenloop van een tuchtrechtelijke inbreuk en een misdrijf de tuchtprocedure en de mogelijkheid van tuchtrechtelijke bestraffing niet in de weg staat. Daarenboven heeft de gevangenisdirectie op grond van de Basiswet de wettelijke opdracht om de orde en de veiligheid in de inrichting te verzekeren en doet dit door onder andere de controle op verboden voorwerpen zoals gsm’s en drugs. Ook de politie heeft een wettelijke veiligheidsopdracht.
Wanneer de gerechtelijke politie derhalve informatie bezit dat een gedetineerde verboden voorwerpen in zijn cel heeft of zal verkrijgen, bestaat er een duidelijke functionele noodzaak om die informatie, beperkt tot de loutere elementen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het bestaan van een tuchtrechtelijke inbreuk, mee te delen aan de gevangenisdirectie. De klachtencommissie meent dat de inhoud van het RAD hieraan voldoet aangezien er enkel een oplijsting wordt gegeven van de voorwerpen die in de cel van klager werden teruggevonden. Of de mededeling van de FGP meer informatie bevatte dan deze oplijsting, weet de klachtencommissie niet maar indien dit het geval was, kan deze schending van het geheim van het gerechtelijk onderzoek niet verweten worden aan de gevangenisdirectie en haar personeel. De klachtencommissie besluit derhalve dat de uitwisseling van deze informatie een uitvoering is van de wettelijke veiligheidsopdrachten van politie én gevangenisdirectie, noodzakelijk voor de orde en veiligheid, zodat de gevangenisdirectie zich terecht kon steunen op de meegedeelde informatie.
Vervolgens klagen klager en zijn raadsman aan dat zij de mail van de FGP aan de gevangenisdirectie niet hebben gezien. Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt dat de directie zich voor het bewezen verklaren van de tuchtinbreuken enkel heeft gebaseerd op het RAD van 04.05.2026. De directeur mag zich voor het bewijs van een tuchtinbreuk steunen op vaststellingen van haar personeel indien deze vaststellingen voldoende zorgvuldig zijn en de gedetineerde geen overtuigende tegenargumenten aanbrengt waardoor er twijfel bestaat over de juistheid van de informatie opgenomen in het RAD. De klachtencommissie is van oordeel dat het RAD uitgebreid en gedetailleerd werd opgesteld zonder dat de daarin opgenomen vaststellingen voor interpretatie vatbaar zijn. Aangezien dit RAD volstond als zorgvuldig bewijsmateriaal, is de klachtencommissie van oordeel dat de mededeling van de mail van de FGP aan klager en zijn raadsman niet vereist was in het kader van een zorgvuldige feitenvinding.
Verder zijn klager en zijn raadsman van oordeel dat de termijnen van de tuchtprocedure werden overschreden zodat klager niet meer mocht gesanctioneerd worden. De klachtencommissie stelt vast dat de directie op 05.05.2026 kennisnam van het RAD dat op 04.05.2026 werd opgesteld. Dat betekent dat de directie ten laatste op 12.05.2026 klager in kennis moest stellen van het feit dat een tuchtprocedure werd opgestart en hem uitnodigen voor een tuchtrechtelijke hoorzitting die uiterlijk zeven dagen na deze kennisgeving moest plaatsvinden. Aangezien de tuchtbeslissing dateert van 11.05.2026, stelt de klachtencommissie vast dat de termijnen uit de Basiswet werden nageleefd.
Klager en zijn raadsman uitten tot slot kritiek op de manier waarop het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting en de motivering van de tuchtbeslissing werden opgemaakt. Hoewel de klachtencommissie inderdaad moet vaststellen dat in het verslag van de hoorzitting niet wordt vermeld dat er eerst een zitting was op 08.05.2026, wat er toen verklaard is geweest, dat de zitting vervolgens naar 11.05.2026 werd uitgesteld en de reden voor dit uitstel, meent de klachtencommissie dat deze elementen voldoende blijken uit de verklaring van de raadsman zoals genoteerd in het verslag van de hoorzitting. Daarnaast is de klachtencommissie van oordeel dat de ingeroepen argumenten van klager en zijn raadsman bijzonder summier worden weergegeven in de motivering van de tuchtbeslissing en dat de keuze voor de sanctie niet wordt uitgelegd, maar dat de motivering desalniettemin de elementen bevat die klager toelaten te begrijpen voor welke feiten hij is gesanctioneerd, waarom die feiten bewezen worden geacht en waarom die feiten een tuchtinbreuk uitmaken.
Om deze redenen besluit de klachtencommissie dat de tuchtbeslissing wettig is waardoor de klacht ongegrond is. De tuchtbeslissing blijft bestaan.