TUCHT - BEWIJS
Klager heeft een klacht ingediend tegen de tuchtbeslissing omdat hij een maand tucht heeft gekregen zonder getuigen. De beambte heeft volgens klager gelogen in haar rapport aan de directie.
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens:
- de opzettelijke aantasting van de orde, een tuchtinbreuk van eerste categorie, en
- het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden, een tuchtinbreuk van tweede categorie.
De ten laste gelegde feiten worden in de tuchtbeslissing omschreven als verwijten en bedreigingen naar chef. Ordeverstoring: schoppen tegen celdeur. Deze tenlasteleggingen werden aan de directeur meegedeeld door middel van een rapport aan de directeur (RAD). Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt dat klager tegenover de directie heeft verklaard dat hij zijn oproeplampje had aangedaan en op een rustige manier aan de beambte had gevraagd om de kwartierchef te kunnen spreken. Klager is op de hoogte dat zijn celgenoot in de gevangenis verblijft voor feiten met kinderen en klager wou daarom van cel veranderen. De beambte zou aan klager hebben gezegd dat ze het winket ging sluiten en dat hij met zijn celgenoot moest doen wat hij wou. Klager geeft toe dat hij toen verbaal agressief is geworden tegen de beambte en onder andere heeft gezegd dat het winket niet zou dichtgaan. Hij is toen inderdaad beginnen flippen. Volgens de advocaat van klager wist de beambte nog wel heel goed want klager allemaal precies heeft gezegd. Er worden geen getuigen vermeld op het RAD, er is geen alarm gedrukt, er is geen voorlopige maatregel opgelegd, de adjudant is niet geweest. Volgens klager was de chef begonnen tegen hem waardoor hij ook niet kon zwijgen.
De klachtencommissie is van oordeel dat de vraag van klager om naar een andere cel te mogen verhuizen, legitiem was. De toewijzing van een gedetineerde aan een verblijfsruimte is echter een bevoegdheid van de directie. De opsteller van het RAD die geconfronteerd werd met de vraag van klager, kon dus niet op eigen initiatief beslissen dat klager mocht muteren. De opsteller van het RAD heeft daarom aan klager geadviseerd om een rapportbriefje te schrijven. Uit de vaststellingen in het RAD blijkt dat klager vanaf dan is beginnen “flippen”, zoals hij het zelf noemt. Klager heeft de beambte uitgescholden en eiste een gesprek met de kwartierchef. Gelet op deze ontoelaatbare reactie, kondigde de beambte aan dat zij het winket zou sluiten. Klager belette dit echter tweemaal en bedreigde de beambte voor het geval zij de celdeur nog zou openen. Klager kreeg alsnog zijn zin want de opsteller van het RAD verwittigde de kwartierchef. De kwartierchef is vervolgens tot bij klager gegaan en liet weten dat hij contact zou opnemen met de adjudant. Zelfs deze constructieve houding van de kwartierchef zorgde bij klager niet voor een kentering in zijn gedrag. Hij schopte tegen zijn deur en klopte op zijn winket. De orde wordt omschreven als een toestand waarin de gedragsregels worden nageleefd die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen of het handhaven van een menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis. De klachtencommissie is van oordeel dat bovenstaande vaststellingen zorgvuldig werden weergegeven door de beambte en dat hieruit blijkt dat klager door zijn gedrag allesbehalve bijdroeg tot die orde. De klachtencommissie meent dat noch klager, noch zijn advocaat overtuigende tegenindicaties hebben aangehaald waardoor de klachtencommissie tot het besluit komt dat de vaststellingen in het RAD niet zouden overeenkomen met de realiteit. De klachtencommissie besluit dat de directie terecht de twee tuchtinbreuken heeft weerhouden in hoofde van klager.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van dertig dagen ATV. Bij samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken worden de verschillende inbreuken bestraft als één tuchtrechtelijke inbreuk van dezelfde categorie als de zwaarste van de samenlopende tuchtinbreuken. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is dit de wettelijk toegestane maximumsanctie. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie niet onredelijk of onbillijk was gelet op het tuchtregister van klager waarin meerdere tuchtinbreuken voor agressie naar het personeel worden opgesomd.
Om deze redenen is de klacht ongegrond. De tuchtbeslissing blijft bestaan.
Klager heeft een klacht ingediend tegen de tuchtbeslissing omdat hij een maand tucht heeft gekregen zonder getuigen. De beambte heeft volgens klager gelogen in haar rapport aan de directie.
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens:
- de opzettelijke aantasting van de orde, een tuchtinbreuk van eerste categorie, en
- het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden, een tuchtinbreuk van tweede categorie.
De ten laste gelegde feiten worden in de tuchtbeslissing omschreven als verwijten en bedreigingen naar chef. Ordeverstoring: schoppen tegen celdeur. Deze tenlasteleggingen werden aan de directeur meegedeeld door middel van een rapport aan de directeur (RAD). Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt dat klager tegenover de directie heeft verklaard dat hij zijn oproeplampje had aangedaan en op een rustige manier aan de beambte had gevraagd om de kwartierchef te kunnen spreken. Klager is op de hoogte dat zijn celgenoot in de gevangenis verblijft voor feiten met kinderen en klager wou daarom van cel veranderen. De beambte zou aan klager hebben gezegd dat ze het winket ging sluiten en dat hij met zijn celgenoot moest doen wat hij wou. Klager geeft toe dat hij toen verbaal agressief is geworden tegen de beambte en onder andere heeft gezegd dat het winket niet zou dichtgaan. Hij is toen inderdaad beginnen flippen. Volgens de advocaat van klager wist de beambte nog wel heel goed want klager allemaal precies heeft gezegd. Er worden geen getuigen vermeld op het RAD, er is geen alarm gedrukt, er is geen voorlopige maatregel opgelegd, de adjudant is niet geweest. Volgens klager was de chef begonnen tegen hem waardoor hij ook niet kon zwijgen.
De klachtencommissie is van oordeel dat de vraag van klager om naar een andere cel te mogen verhuizen, legitiem was. De toewijzing van een gedetineerde aan een verblijfsruimte is echter een bevoegdheid van de directie. De opsteller van het RAD die geconfronteerd werd met de vraag van klager, kon dus niet op eigen initiatief beslissen dat klager mocht muteren. De opsteller van het RAD heeft daarom aan klager geadviseerd om een rapportbriefje te schrijven. Uit de vaststellingen in het RAD blijkt dat klager vanaf dan is beginnen “flippen”, zoals hij het zelf noemt. Klager heeft de beambte uitgescholden en eiste een gesprek met de kwartierchef. Gelet op deze ontoelaatbare reactie, kondigde de beambte aan dat zij het winket zou sluiten. Klager belette dit echter tweemaal en bedreigde de beambte voor het geval zij de celdeur nog zou openen. Klager kreeg alsnog zijn zin want de opsteller van het RAD verwittigde de kwartierchef. De kwartierchef is vervolgens tot bij klager gegaan en liet weten dat hij contact zou opnemen met de adjudant. Zelfs deze constructieve houding van de kwartierchef zorgde bij klager niet voor een kentering in zijn gedrag. Hij schopte tegen zijn deur en klopte op zijn winket. De orde wordt omschreven als een toestand waarin de gedragsregels worden nageleefd die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen of het handhaven van een menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis. De klachtencommissie is van oordeel dat bovenstaande vaststellingen zorgvuldig werden weergegeven door de beambte en dat hieruit blijkt dat klager door zijn gedrag allesbehalve bijdroeg tot die orde. De klachtencommissie meent dat noch klager, noch zijn advocaat overtuigende tegenindicaties hebben aangehaald waardoor de klachtencommissie tot het besluit komt dat de vaststellingen in het RAD niet zouden overeenkomen met de realiteit. De klachtencommissie besluit dat de directie terecht de twee tuchtinbreuken heeft weerhouden in hoofde van klager.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van dertig dagen ATV. Bij samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken worden de verschillende inbreuken bestraft als één tuchtrechtelijke inbreuk van dezelfde categorie als de zwaarste van de samenlopende tuchtinbreuken. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is dit de wettelijk toegestane maximumsanctie. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie niet onredelijk of onbillijk was gelet op het tuchtregister van klager waarin meerdere tuchtinbreuken voor agressie naar het personeel worden opgesomd.
Om deze redenen is de klacht ongegrond. De tuchtbeslissing blijft bestaan.
Er werd een beroepsdossier met referentie BC/26-0255 opgestart