KC10/26-0113
Ongegrond
Onontvankelijk
KC - Hasselt
Klachtencommissie
Tucht
Geen beslissing directeur
TUCHT - GEEN BESLISSING DIRECTEUR - FEITELIJK HANDELEN
De klacht gaat over een tuchtbeslissing van 11/06/2026 en het feitelijk handelen van een beambte in de gevangenis van Hasselt.
Over de tuchtbeslissing: de directie heeft een tuchtsanctie van 21 dagen ATV voor de inbreuk van de eerste categorie “de opzettelijke aantasting van de orde” en de inbreuk van de tweede categorie “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden” opgelegd.
De precieze handelingen die klager stelde, werden op voldoende gedetailleerde wijze beschreven in het RAD. De klachtencommissie vindt ook niet dat klager tegenindicaties heeft opgeroepen die gerede twijfel deden rijzen over de juistheid van het RAD. De klachtencommissie acht het niet onredelijk dat de feiten beschreven in het RAD als voormelde inbreuken werden gekwalificeerd. De klachtencommissie acht voormelde kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd.
De klachtencommissie ziet geen reden waarom de directie zich bij het nemen van de bestreden beslissing niet had mogen steunen op het RAD. De directie kon de feiten, zoals die duidelijk en uitdrukkelijk in het RAD werden beschreven, voor waar en als voldoende aannemen. De directie kon dan ook binnen de grenzen van de redelijkheid oordelen dat de feiten die aan klager werden ten laste gelegd, bewezen waren. De motivering voldoet volgens de klachtencommissie aan de vereisten van artikel 8 van de Basiswet.
De feiten vormen o.a. een tuchtrechtelijk inbreuk van de eerste categorie. Voor een tuchtinbreuk van de eerste categorie kan maximaal 30 dagen ATV worden opgelegd zodat de tuchtsanctie wettig was. De klachtencommissie stelt vast dat de directie rekening heeft gehouden met de omvang van de feiten en geen onredelijk of onbillijke straf van 21 dagen ATV heeft opgelegd. Om deze redenen is de klacht ongegrond.
Over het feitelijk handelen van een beambte: de klacht gaat over beweerdelijk feitelijk handelen van een personeelslid dat niet in verbinding kan worden gebracht met een beslissing van de directeur. Uit de klacht blijkt niet dat klager de directie hierover heeft aangesproken en dat zij heeft nagelaten om dit voorval te onderzoeken, waardoor er ook geen sprake is van een verzuim van de directie. De klacht is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
De klacht gaat over een tuchtbeslissing van 11/06/2026 en het feitelijk handelen van een beambte in de gevangenis van Hasselt.
Over de tuchtbeslissing: de directie heeft een tuchtsanctie van 21 dagen ATV voor de inbreuk van de eerste categorie “de opzettelijke aantasting van de orde” en de inbreuk van de tweede categorie “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden” opgelegd.
De precieze handelingen die klager stelde, werden op voldoende gedetailleerde wijze beschreven in het RAD. De klachtencommissie vindt ook niet dat klager tegenindicaties heeft opgeroepen die gerede twijfel deden rijzen over de juistheid van het RAD. De klachtencommissie acht het niet onredelijk dat de feiten beschreven in het RAD als voormelde inbreuken werden gekwalificeerd. De klachtencommissie acht voormelde kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd.
De klachtencommissie ziet geen reden waarom de directie zich bij het nemen van de bestreden beslissing niet had mogen steunen op het RAD. De directie kon de feiten, zoals die duidelijk en uitdrukkelijk in het RAD werden beschreven, voor waar en als voldoende aannemen. De directie kon dan ook binnen de grenzen van de redelijkheid oordelen dat de feiten die aan klager werden ten laste gelegd, bewezen waren. De motivering voldoet volgens de klachtencommissie aan de vereisten van artikel 8 van de Basiswet.
De feiten vormen o.a. een tuchtrechtelijk inbreuk van de eerste categorie. Voor een tuchtinbreuk van de eerste categorie kan maximaal 30 dagen ATV worden opgelegd zodat de tuchtsanctie wettig was. De klachtencommissie stelt vast dat de directie rekening heeft gehouden met de omvang van de feiten en geen onredelijk of onbillijke straf van 21 dagen ATV heeft opgelegd. Om deze redenen is de klacht ongegrond.
Over het feitelijk handelen van een beambte: de klacht gaat over beweerdelijk feitelijk handelen van een personeelslid dat niet in verbinding kan worden gebracht met een beslissing van de directeur. Uit de klacht blijkt niet dat klager de directie hierover heeft aangesproken en dat zij heeft nagelaten om dit voorval te onderzoeken, waardoor er ook geen sprake is van een verzuim van de directie. De klacht is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.